-nieuws en artikelen

De buitenlandse politiek van Elf en Total

 

Investering en democratisering: een kwestie van de kip en het ei

Het is wellicht de meest geruisloze parlementaire onderzoekscommissie ooit. En tegelijk een van het meer delicate soort: drie parlementariërs uit de Franse assemblee onderzoeken ‘de rol van oliemaatschappijen in de internationale politiek en hun invloed op ecologisch en sociaal vlak’. Na de Rwanda-commissie is dit pas de tweede onderzoeksmissie van het Franse parlement.

Hans van Scharen

De Morgen/1999

Hoewel de Franse media nauwelijks aandacht besteden aan de onderzoekscommissie, wordt vooral Frankrijks grootste bedrijf Totalfina, er knap zenuwachtig van. Het onderzoek hangt als een schaduw boven de monsterfusie van Total met het Belgische Petrofina, waarmee ‘s werelds zesde grootste oliebedrijf ontstaat.

In haar uiterst bescheiden kantoor stelt de voorzitster van deze onderzoekscommissie, Marie-Hélène Aubert (Les Verts), ironisch vast “dat zij en haar collega’s nog niet openlijk worden tegengewerkt”, wat erop kan wijzen dat “ze nog niet echt tot de kern van de zaak zijn doorgedrongen”. De tegenwerking verloopt subtieler.

Vanaf de zomer 1997, toen het nieuwe parlement werd verkozen, vroegen de zes groene parlementsleden om de oprichting van een onderzoekscommissie in verband met de schandalen rond de oliemaatschappij Elf Acquitaine.

Aubert: “Dat onderzoek werd geweigerd omdat er een justitieel onderzoek in de zaak-Elf liep. Al wist iedereen natuurlijk dat zo’n parlementair onderzoek ook politici in verlegenheid zou kunnen brengen. Na een getuigenis van de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Sonyenka over de activiteiten van Shell in zijn land, besloot de voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken, Jacques Lang, dat deze onderzoekscommissie werd opgericht.”

Een delicate missie, erkent Aubert. “Maar we interesseren ons niet alleen voor de Franse oliemaatschappijen Elf en Total, maar ook voor BP, Exxon en Shell. Ons onderzoek heeft met de globale vraag te maken hoe de investeringen van dit soort multinationale bedrijven in totalitaire regimes beter gereguleerd kunnen worden. Parlementen in andere landen kunnen baat hebben bij ons rapport en nagaan of zij dezelfde problemen vaststellen. Het heeft ook geen zin je te beperken tot Franse of Belgische bedrijven, aangezien zij al lang opereren op mondiaal niveau, met budgetten die dat van sommige staten overtreffen. Het is pas sinds enkele jaren dat politici en parlementen zich, met weliswaar bescheiden middelen, bezighouden met dit soort kwesties. Dat was tot nu toe het terrein van maatschappelijke organisaties.”

Het was een woordvoerder van Total die ooit stelde dat ‘de grote brandstofvoorraden meestal niet onder de bodem van democratische landen zitten’. “Ja, dat is waar. Je moet je alleen afvragen of het niet de exploitatie van deze bronnen is die de politieke situatie verergert.”

Hoe kan het dat men heeft toegelaten om uitgerekend een parlementslid van de groenen voorzitter van deze onderzoekscommissie te laten worden? “Ik weet het niet. Misschien dacht men dat ik met de beperkte middelen die we hebben toch niet heel ver zouden geraken. Bovendien ben ik niet bepaald een ster in de politiek. Het feit dat ik pas sinds 1997 in het parlement zit en de media weinig aandacht aan mijn werkzaamheden besteden, heeft hierbij een rol gespeeld. Het geeft mij veel vrijheid.”

Waren anderen misschien bang hun vingers te verbranden aan deze materie? “We zijn met drie en met Pierre Brana (Parti Socialiste) en Roland Blum (Démocrates Liberal) zit ik opmerkelijk genoeg op één lijn bij de vaststelling van de problemen.”

De commissie onderscheidt drie hoofdlijnen. “Er is het probleem van een gebrek aan financiële transparantie en de corruptie die hiermee verbonden is (rode draad in het dossier-Elf Acquitaine, hvs). Ten tweede is er het probleem van de mensenrechten. We kunnen niet accepteren dat onder het mom van terreinwerk voor olie- of gasprojecten de rechten van lokale bewoners worden geschonden. Ten derde is er het probleem dat bij de exploitatie van olie- of gasvelden complete ecosystemen worden verwoest. De behandeling van deze drie hoofdproblemen heeft niets met politiek rechts of links te maken. Het is gezond verstand dat hier moet spelen.”

Mensenrechten

Een van de belangrijkste concrete dossiers van de commissie betreft de investeringen van westerse oliemaatschappijen in het Aziatische land Birma. Dat zijn het Franse Total, het Amerikaanse Unocal en het Britse Premier Oil. Birma, of Myanmar volgens de machthebbers, geldt als een van de meest repressieve dictaturen ter wereld. Sinds de militairen de riante verkiezingsoverwinning (82 procent) van de Nationale Liga voor Democratie (NLD) van Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi in 1990 annuleerden, volgen de rapporten over massale schendingen van mensenrechten elkaar op.

Organisaties zoals Amnesty International, maar ook de internationale vakbondskoepel (IVVV), de internationale arbeidsorganisatie (ILO), de Verenigde Naties en Amerikaanse en Europese overheden veroordeelden de Birmaanse junta middels gedetailleerde rapporten en resoluties. Het generaalsregime wordt beschuldigd van het toepassen van massale dwangarbeid (naar schatting 800.000 Birmanen), gedwongen verhuizingen, martelingen, verkrachtingen, het monddood maken van elke vorm van oppositie en, last but not least, directe betrokkenheid bij de handel in opium en het derivaat heroïne. Birma maakte altijd al deel uit van de Gouden Driehoek, maar groeide sedert 1990 uit tot grootste producent van opium ter wereld.

Yadana-pijplijn

Birma raakte hoe langer hoe meer in een politiek en economisch isolement. Bedrijven zoals Levi-Strauss, Pepsi Cola, Heineken, Carlsberg, Motorola en de oliebedrijven Amoco en Texaco trokken zich daarom terug uit Birma. Drie grote westerse oliebedrijven deden dat niet: Total, Unocal en Premier Oil. Volgens Birma-watchers en Aung San Suu Kyi zelf, vormen zij via twee grote investeringsprojecten de levensaders van het generaalsregime. Het bijna failliete regime hoopt vurig op de honderden miljoenen dollars opbrengsten uit het oppompen van gas voor de Birmaanse kust. Total en Unocal doen dat via het Yadana-project (goed voor 400 miljoen dollar per jaar) en Premier Oil via het Yetagun-project.

Total (31 procent) en Unocal (28,3 procent) investeerden zo’n 1,2 miljard dollar in het Yadana-project en wachten met smart op het moment dat het gas richting de Thaise energiecentrale Ratchaburi gaat stromen. Ondertussen groeit de kritiek op hun investeringen. Aubert: “Ik denk persoonlijk dat Total, gezien de sociale en politieke situatie in Birma, niet in dat land had moeten investeren. Het brengt je als bedrijf in een kwetsbare situatie.”

Voor een Amerikaanse rechtbank begint deze zomer naar alle waarschijnlijkheid een reeds lang aanslepend proces tegen beide oliebedrijven, omdat bij de aanleg van de Yadana-pijplijn volgens verschillende rapporten dwangarbeiders zouden zijn gebruikt. In het ergste geval kunnen de oliemaatschappijen worden beschuldigd van betrokkenheid bij slavernij. De Thaise krant Bangkok Post publiceerde begin dit jaar gedetailleerde artikelen over hoe de oliemaatschappijen Birmaanse legereenheden betalen en voorzien van logistieke middelen, zoals transport om de kwetsbare pijplijn te bewaken tegen guerilla-aanslagen door de Karen, een oorspronkelijke, inheemse bevolking van het gebied.

Wat denkt de onderzoekscommissie van deze steeds weerkerende aantijgingen? Aubert: “We kennen de vele rapporten en getuigenissen en hebben zelf mensen ondervraagd over dit soort beschuldigingen. We moeten een onderscheid maken tussen feiten en verzinsels. In ieder geval is het duidelijk dat in de voorbereidende fase van het Yadana-project vanaf 1991, Birmaanse veiligheidstroepen bewoners uit het gebied hebben gedeporteerd en mensen in vreselijke omstandigheden hebben gedwongen tot het verrichten van arbeid. Mede als gevolg hiervan verblijven zo’n honderdduizend Birmanen als vluchteling net over de grens in Thailand.”

“De vraag is wat er na de effectieve start van het Yadana-project is gebeurd. Total stelt dat alles in orde is. Een andere vraag is in ieder geval in hoeverre Total en Unocal verantwoordelijkheid dragen voor wat er in de voorbereidende fase is gebeurd. Verder is er de vraag of Total en Unocal zélf gebruik hebben gemaakt van door Birma geleverde dwangarbeiders. Eerlijk gezegd denk ik dat indien dat het geval was, de verantwoordelijken van de bedrijven alles in het werk zouden hebben gesteld om zo’n situatie snel te regulariseren. Er zijn getuigenissen die het tegendeel beweren. Dat moet nog worden onderzocht. Het basisprobleem is natuurlijk dat Unocal en Total moeten werken in een politieke situatie die desastreus is (guerillaoorlogen met minderheden zoals de Karen, hvs). De deontologie van het Birmaanse leger en politie is niet bijster sterk.” “Over de vraag hoe de oliebedrijven de veiligheid van de werf en de pijplijn hebben georganiseerd, daarover tasten we in het duister. Er zijn beschuldigingen over contracten tussen Total en Birmaanse legereenheden over veiligheidsbewaking, maar het blijft allemaal ondoorzichtig. We hebben enkele documenten gekregen, maar het valt moeilijk te bewijzen.”

Aubert beaamt dat deze contracten niet door Total zelf getekend worden, maar door Franse particuliere veiligheidsdiensten zoals OGS en Abac, een bont allegaartje van ex-werknemers uit veiligheidsdiensten, het leger of het vreemdelingenlegioen. Maar er blijft een waas van geheimzinnigheid die de commissie hoopt op te helderen.

Constructieve dialoog

Total en Unocal ontkennen elke betrokkenheid bij dit soort praktijken.Total-topman Thierry Desmarest gaf enkele maanden geleden tijdens een aandeelhoudersvergadering toe dat zijn bedrijf “opereerde in een aantal ontwikkelingslanden waarvan men zou kunnen zeggen dat de politieke en sociale omstandigheden er niet ideaal zijn”. “Maar als er geen wetteljike restricties zijn”, stelde Desmarest, “denken we dat we in die landen kunnen werken.”

De topman zei niet bang te zijn voor consumentenboycots en verklaarde dat het isoleren van Birma contraproductief werkt. Bonafide investeringen zouden het land en zijn bewoners ten goede komen en meer kansen bieden op democratisering. ‘Constructieve dialoog’, heet dat met een diplomatische term.

Dat is precies de term die de Franse autoriteiten gebruiken ter verantwoording van hun welwillende politiek ten aanzien van Birma. Ter verdediging van Total in verband met de Amerikaanse rechtszaak schreven advocaten ingehuurd door Total uit naam van de Franse staat een Amicus curiae aan de rechtbank in Los Angeles. Een citaat: ‘Maintenance of this action (juridische procedure, hvs) against Total in the United States courts will conflict with France’s foreign policy interests’. Kan het duidelijker?

Aubert: “Toen we de directeur Azië van het Quai d’Orsay (buitenlandse zaken, hvs) over deze brief ondervroegen, legde hij uit dat de investering van Total in Birma volgens hem een excellente zaak was, waarvoor de Franse staat zich bovendien garant stelde. De Franse politiek ten aanzien van totalitaire regimes is nu eenmaal anders dan die van de VS. Een embargopolitiek en economische sancties zouden stupide zijn en niet helpen. Investeringen daarentegen zouden het regime kunnen verbeteren.”

U bent in maart op bezoek geweest in Birma. En helpen de Franse investeringen? “Wat wij ter plaatse konden vaststellen, is dat de Franse ambassadeur in Rangoon niet echt verbonden is met Total. Hij ontvangt mevrouw Aung San Suu Kyi vaak en heeft een goede relatie met haar. Ook in internationale politiek is het vaak een kwestie van karakters.”

Pantouflage

Zowel Elf, vooral actief in de voormalige Franse kolonies, als Total, actief in de rest van de wereld, waren tot enkele jaren geleden in handen van de Franse staat. Het lijkt alsof de wederzijdse belangen nog steeds samenvallen. Een waarnemer stelde dat de staat vroeger het beleid van de twee oliemaatschappijen dicteerde, maar dat het nu andersom is: Elf en Total drukken hun stempel op de Franse buitenlandse politiek.

Aubert: “Het heeft altijd in twee richtingen gewerkt. Maar het is waar dat bijvoorbeeld in Afrikaanse landen zoals Tsjaad er altijd sterke banden hebben bestaan tussen Elf en de Franse diplomatieke vertegenwoordiging. Elf en Total zijn nu privé-bedrijven, maar de Franse staat heeft nog steeds golden chairs in de raad van bestuur van Total en Elf en heeft dus invloed. Ik heb wel de indruk dat de institutionele banden tussen staat en deze twee bedrijven langzamerhand losser worden. Wat we wel vaststellen, is dat hoge ambtenaren vaak in hoge functies werkzaam zijn bij Total of Elf en vice versa. Men springt heen en weer tussen privé en overheid. Dit zogenaamde pantouflage-systeem lijkt me niet erg gezond omdat er een verstrengeling ontstaat tussen publieke en economische belangen. Het is een stilzwijgende praktijk, die iedereen kent, maar waarover men niet praat.”

“Tegelijkertijd is het ook de mondialisering die maakt dat politici steeds meer gaan lijken op handelsvertegenwoordigers van grote bedrijven. Amerikaanse diplomaten verkopen Amerikaanse bedrijven, en Franse diplomaten zijn schoothondjes van Franse bedrijven. Het gebeurt overal, waardoor publieke belangen op cultureel, sociaal en ecologisch vlak het onderspit delven bij kortetermijnbelangen van privé-bedrijven. De politiek moet weer terrein heroveren.”

Aung San Suu Kyi heeft in 1996 gezegd dat Total door zijn Yadana-project de belangrijkste steunpilaar is van de militaire junta. U hebt haar laatst ontmoet. Denkt ze er nog zo over? “Ja, dat heeft ze ons opnieuw zo gezegd. Zolang het regime hetzelfde blijft, is ze tegen grote investeringen in haar land. Juist omdat ze de junta en een repressief apparaat versterken en niet ten goede komen aan de bevolking. Integendeel.”

“Weet u, het probleem is dat het dossier-Birma uit de aandacht is. Iedereen vindt Aung San Suu Kyi een fantastische persoonlijkheid; Maar ze dreigt een icoon te worden, terwijl concrete acties door Frankrijk of Europa om de zaak daar te deblokkeren uitblijven. Sancties wil men niet en alles draait gewoon door. Aung San Suu Kyi verwacht dat de junta snel zal instorten, mits de EU nieuwe maatregelen neemt en Birma verder isoleert. Ik vrees dat ze een beetje optimistisch is.”

Albert Frère

Total heeft een sterke lobby en heeft van de Franse politiek niet zoveel te vrezen. Maar achter de schermen baart het Birma-dossier de Franse oliegigant wel degelijk zorgen. Het bedrijf is moreel chantabel en kwetsbaar voor boycotacties, zoals er vorige maand een in België werd gelanceerd. Deze nuchtere vaststelling speelde volgens Franse beursanalisten, gespecialiseerd in olie, zelfs mee tijdens de fusiegesprekken tussen Total en Petrofina. Volgens deze analisten gebruikte de Waalse financier Albert Frère dit gegeven om een gunstige ruil van Petrofina-aandelen tegen aandelen Total te bedingen. Gisteren liep het openbaar bod af waarbij mensen hun aandelen Petrofina konden inruilen tegen aandelen van de nieuwe oliereus Totalfina. Twee aandelen Fina zijn goed voor negen nieuwe aandelen Total. Volgens beursanalisten was deze omruilkoers een van de oorzaken dat het aandeel Total na de overnameberichten in waarde daalde op de Franse beurs.

Petrofina-topman François Cornelis laat bij monde van zijn woordvoerster weten dat beursanalisten “het recht hebben analyses te maken” en hij “het recht heeft geen commentaar te geven”. Het dossier-Birma wil Cornelis nog bestuderen, zo luidt het. Albert Frère is de lachende derde en wordt met 9 procent de grootste aandeelhouder in Totalfina.

Opmerkelijk is dat het Belgisch parlement op 4 februari unaniem een resolutie goedkeurde, gesteund door minister Derycke, waarin Belgische bedrijven en touroperators worden opgeroepen ‘alle banden met Birma op het vlak van handel, investeringen en toerisme te verbreken’. Aangezien het uitgesloten is dat Totalfina zich terugtrekt, zal deze resolutie wat Petrofina betreft waardeloos blijven.

Tegenwerking

Volgens goed ingelichte bronnen wordt het werk van uw commissie tegengewerkt. Zo was het wel zeer toevallig dat Joseph Daniel, hoofd public relations van Total, lid werd van het kabinet van Laurent Fabius, voorzitter van de assemblee, uitgerekend in de week dat uw commissie werd geïnstalleerd.

Aubert: “Ja, dat laatste is juist. Ik wacht bijvoorbeeld nog steeds op documenten van het Quai d’Orsay, zoals diplomatieke telexen uit gevoelige perioden van het dossier. Ik weet niet of we ze wel zullen krijgen. En Total belt regelmatig om te horen hoe het er mee staat. Maar of je dat tegenwerking mag noemen…”

De Franse economische pers verkoos overigens Total-topman Desmarest onlangs tot ‘manager van het jaar’. Aubert: “Ik bespeur bij de Franse media een zeker fatalisme. Zo van ‘ach ja, het zal wel weer zo’n braaf rapport worden en verder niets’. Wel, ik hoop dat te logenstraffen.”

Het Franse rapport zal naar verwachting op 15 juli klaar zijn en vanwege het parlementaire reces begin oktober aan het parlement worden voorgesteld. Aubert stelt nadrukkelijk dat de commissie geen rechter wil spelen, maar vooral zo concreet mogelijk wil aangeven hoe er verbetering kan komen.

“Als wetgever willen we voorstellen doen over de positie van niet-gouvernementele organisaties, over hoe zij zich burgerlijke partij kunnen stellen bij justitie en wanneer bijvoorbeeld boycots effectief zijn of niet. We willen de lacunes in het internationaal recht vaststellen, waardoor multinationals ontsnappen aan verantwoordelijkheden ten aanzien van internationale verdragen en conventies. Internationale instanties zoals de VN moeten hen ter verantwoording kunnen roepen. We willen voorstellen doen over bedrijfscodes en het naleven ervan. Dit soort zaken zijn nog ver verwijderd.”

‘We willen de lacunes in het internationaal recht vaststellen, waardoor multinationals ontsnappen aan verantwoordelijkheden ten aanzien van internationale verdragen en conventies’

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.

© Hans van Scharen | contact |