-nieuws en artikelen

Interview Naomi Klein

March 22nd, 2008

‘Ik zag de toekomst: het is moord’
door Hans van Scharen

Gepubliceerd in Mo februari 2008

Naomi Klein werd wereldberoemd met No Logo, het boek dat bij het begin van deze eeuw de salontafels van alle andersglobalisten sierde. Eind 2007 publiceerde ze een écht onmisbaar boek voor wie zich afvraagt wat er in de wereld gebeurt, en waarom. De Shockdoctrine beschrijft de manier waarop neoliberale ideologen natuurrampen en maatschappelijke turbulenties gebruiken om privatiseringen en liberalisering door te voeren. Klein vergelijkt die aanpak met de martelpraktijken in gevangenissen en elektroshocks om gedragsverandering te bekomen.

Naomi Klein werd enkele jaren geleden door neoliberale macho’s smalend een “antiglobaliseringsbabe” genoemd, maar eigenlijk is ze een charmant politiek dier, dat bijzonder veel gevoel voor timing en promotie heeft. Haar jaarlange, wereldwijde tournee sloot ze eind december af met een persconferentie in Chiapas, Mexico, waarop Subcomandante Marcos De Shockdoctrine aanprees als een noodzakelijk en gevaarlijk boek. ‘Want je kan begrijpen wat erin beschreven staat’, aldus el Sub.

Lees hier het hele interview:‘Ik zag de toekomst: het is moord’

De bittere smaak van wraak in Rwanda

March 22nd, 2008

De jaarlijkse herdenking van de genocide in Rwanda zal in april plaatsvinden. Zie onderstaande link en lees het artikel over de manier waarop de genocide wordt gebruikt door een onderdrukkend Rwandees regime, dat daarmee de zaden voor een volgende tragedie zaait.

http://www.un.org/preventgenocide/rwanda en http://www.un.org/preventgenocide/rwanda/audiovisual.shtml

Grasgerecht in Rwanda: de bittere smaak van wraak 

door Hans van Scharen 

Tijdens die wrede Rwandese lente van 1994 werden op honderd dagen tijd bijna een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord. Traditionele Gacaca-rechtspraak moest waarheid en verzoening brengen. Maar het verwerken van de traumatische genocide loopt spaak. De helft van de Hutu-bevolking leeft als beschuldigde en van verzoening lijkt amper sprake.

 Lees hier het hele artikel: De bittere smaak van wraak

The genocide in Rwanda will be as every year remembered in the month of april. See links and read the article on how a suppressive regime uses this tragedy and thus sows the seeds for a next tragedy. http://www.un.org/preventgenocide/rwanda and http://www.un.org/preventgenocide/rwanda/audiovisual.shtml

Sillicon valley or death valley?

RWANDA: the bitter taste of revenge

By Hans van Scharen  

During that cruel spring of 1994, almost a million Tutsi`s and moderate Hutu`s were killed, in 100 days. Traditional Gacaca jurisdiction had to bring truth and reconciliation. But the absorption of the traumatic genocide remains problematic. Half of the Hutu population lives as a defendant and reconciliation is hardly seen.

Download the whole article: The Bitter taste of revenge

De buitenlandse politiek van Elf en Total

October 3rd, 2007

 

Investering en democratisering: een kwestie van de kip en het ei

Het is wellicht de meest geruisloze parlementaire onderzoekscommissie ooit. En tegelijk een van het meer delicate soort: drie parlementariërs uit de Franse assemblee onderzoeken ‘de rol van oliemaatschappijen in de internationale politiek en hun invloed op ecologisch en sociaal vlak’. Na de Rwanda-commissie is dit pas de tweede onderzoeksmissie van het Franse parlement.

Hans van Scharen

De Morgen/1999

Hoewel de Franse media nauwelijks aandacht besteden aan de onderzoekscommissie, wordt vooral Frankrijks grootste bedrijf Totalfina, er knap zenuwachtig van. Het onderzoek hangt als een schaduw boven de monsterfusie van Total met het Belgische Petrofina, waarmee ’s werelds zesde grootste oliebedrijf ontstaat.

In haar uiterst bescheiden kantoor stelt de voorzitster van deze onderzoekscommissie, Marie-Hélène Aubert (Les Verts), ironisch vast “dat zij en haar collega’s nog niet openlijk worden tegengewerkt”, wat erop kan wijzen dat “ze nog niet echt tot de kern van de zaak zijn doorgedrongen”. De tegenwerking verloopt subtieler.

Vanaf de zomer 1997, toen het nieuwe parlement werd verkozen, vroegen de zes groene parlementsleden om de oprichting van een onderzoekscommissie in verband met de schandalen rond de oliemaatschappij Elf Acquitaine.

Aubert: “Dat onderzoek werd geweigerd omdat er een justitieel onderzoek in de zaak-Elf liep. Al wist iedereen natuurlijk dat zo’n parlementair onderzoek ook politici in verlegenheid zou kunnen brengen. Na een getuigenis van de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Sonyenka over de activiteiten van Shell in zijn land, besloot de voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken, Jacques Lang, dat deze onderzoekscommissie werd opgericht.”

Een delicate missie, erkent Aubert. “Maar we interesseren ons niet alleen voor de Franse oliemaatschappijen Elf en Total, maar ook voor BP, Exxon en Shell. Ons onderzoek heeft met de globale vraag te maken hoe de investeringen van dit soort multinationale bedrijven in totalitaire regimes beter gereguleerd kunnen worden. Parlementen in andere landen kunnen baat hebben bij ons rapport en nagaan of zij dezelfde problemen vaststellen. Het heeft ook geen zin je te beperken tot Franse of Belgische bedrijven, aangezien zij al lang opereren op mondiaal niveau, met budgetten die dat van sommige staten overtreffen. Het is pas sinds enkele jaren dat politici en parlementen zich, met weliswaar bescheiden middelen, bezighouden met dit soort kwesties. Dat was tot nu toe het terrein van maatschappelijke organisaties.”

Het was een woordvoerder van Total die ooit stelde dat ‘de grote brandstofvoorraden meestal niet onder de bodem van democratische landen zitten’. “Ja, dat is waar. Je moet je alleen afvragen of het niet de exploitatie van deze bronnen is die de politieke situatie verergert.”

Hoe kan het dat men heeft toegelaten om uitgerekend een parlementslid van de groenen voorzitter van deze onderzoekscommissie te laten worden? “Ik weet het niet. Misschien dacht men dat ik met de beperkte middelen die we hebben toch niet heel ver zouden geraken. Bovendien ben ik niet bepaald een ster in de politiek. Het feit dat ik pas sinds 1997 in het parlement zit en de media weinig aandacht aan mijn werkzaamheden besteden, heeft hierbij een rol gespeeld. Het geeft mij veel vrijheid.”

Waren anderen misschien bang hun vingers te verbranden aan deze materie? “We zijn met drie en met Pierre Brana (Parti Socialiste) en Roland Blum (Démocrates Liberal) zit ik opmerkelijk genoeg op één lijn bij de vaststelling van de problemen.”

De commissie onderscheidt drie hoofdlijnen. “Er is het probleem van een gebrek aan financiële transparantie en de corruptie die hiermee verbonden is (rode draad in het dossier-Elf Acquitaine, hvs). Ten tweede is er het probleem van de mensenrechten. We kunnen niet accepteren dat onder het mom van terreinwerk voor olie- of gasprojecten de rechten van lokale bewoners worden geschonden. Ten derde is er het probleem dat bij de exploitatie van olie- of gasvelden complete ecosystemen worden verwoest. De behandeling van deze drie hoofdproblemen heeft niets met politiek rechts of links te maken. Het is gezond verstand dat hier moet spelen.”

Mensenrechten

Een van de belangrijkste concrete dossiers van de commissie betreft de investeringen van westerse oliemaatschappijen in het Aziatische land Birma. Dat zijn het Franse Total, het Amerikaanse Unocal en het Britse Premier Oil. Birma, of Myanmar volgens de machthebbers, geldt als een van de meest repressieve dictaturen ter wereld. Sinds de militairen de riante verkiezingsoverwinning (82 procent) van de Nationale Liga voor Democratie (NLD) van Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi in 1990 annuleerden, volgen de rapporten over massale schendingen van mensenrechten elkaar op.

Organisaties zoals Amnesty International, maar ook de internationale vakbondskoepel (IVVV), de internationale arbeidsorganisatie (ILO), de Verenigde Naties en Amerikaanse en Europese overheden veroordeelden de Birmaanse junta middels gedetailleerde rapporten en resoluties. Het generaalsregime wordt beschuldigd van het toepassen van massale dwangarbeid (naar schatting 800.000 Birmanen), gedwongen verhuizingen, martelingen, verkrachtingen, het monddood maken van elke vorm van oppositie en, last but not least, directe betrokkenheid bij de handel in opium en het derivaat heroïne. Birma maakte altijd al deel uit van de Gouden Driehoek, maar groeide sedert 1990 uit tot grootste producent van opium ter wereld.

Yadana-pijplijn

Birma raakte hoe langer hoe meer in een politiek en economisch isolement. Bedrijven zoals Levi-Strauss, Pepsi Cola, Heineken, Carlsberg, Motorola en de oliebedrijven Amoco en Texaco trokken zich daarom terug uit Birma. Drie grote westerse oliebedrijven deden dat niet: Total, Unocal en Premier Oil. Volgens Birma-watchers en Aung San Suu Kyi zelf, vormen zij via twee grote investeringsprojecten de levensaders van het generaalsregime. Het bijna failliete regime hoopt vurig op de honderden miljoenen dollars opbrengsten uit het oppompen van gas voor de Birmaanse kust. Total en Unocal doen dat via het Yadana-project (goed voor 400 miljoen dollar per jaar) en Premier Oil via het Yetagun-project.

Total (31 procent) en Unocal (28,3 procent) investeerden zo’n 1,2 miljard dollar in het Yadana-project en wachten met smart op het moment dat het gas richting de Thaise energiecentrale Ratchaburi gaat stromen. Ondertussen groeit de kritiek op hun investeringen. Aubert: “Ik denk persoonlijk dat Total, gezien de sociale en politieke situatie in Birma, niet in dat land had moeten investeren. Het brengt je als bedrijf in een kwetsbare situatie.”

Voor een Amerikaanse rechtbank begint deze zomer naar alle waarschijnlijkheid een reeds lang aanslepend proces tegen beide oliebedrijven, omdat bij de aanleg van de Yadana-pijplijn volgens verschillende rapporten dwangarbeiders zouden zijn gebruikt. In het ergste geval kunnen de oliemaatschappijen worden beschuldigd van betrokkenheid bij slavernij. De Thaise krant Bangkok Post publiceerde begin dit jaar gedetailleerde artikelen over hoe de oliemaatschappijen Birmaanse legereenheden betalen en voorzien van logistieke middelen, zoals transport om de kwetsbare pijplijn te bewaken tegen guerilla-aanslagen door de Karen, een oorspronkelijke, inheemse bevolking van het gebied.

Wat denkt de onderzoekscommissie van deze steeds weerkerende aantijgingen? Aubert: “We kennen de vele rapporten en getuigenissen en hebben zelf mensen ondervraagd over dit soort beschuldigingen. We moeten een onderscheid maken tussen feiten en verzinsels. In ieder geval is het duidelijk dat in de voorbereidende fase van het Yadana-project vanaf 1991, Birmaanse veiligheidstroepen bewoners uit het gebied hebben gedeporteerd en mensen in vreselijke omstandigheden hebben gedwongen tot het verrichten van arbeid. Mede als gevolg hiervan verblijven zo’n honderdduizend Birmanen als vluchteling net over de grens in Thailand.”

“De vraag is wat er na de effectieve start van het Yadana-project is gebeurd. Total stelt dat alles in orde is. Een andere vraag is in ieder geval in hoeverre Total en Unocal verantwoordelijkheid dragen voor wat er in de voorbereidende fase is gebeurd. Verder is er de vraag of Total en Unocal zélf gebruik hebben gemaakt van door Birma geleverde dwangarbeiders. Eerlijk gezegd denk ik dat indien dat het geval was, de verantwoordelijken van de bedrijven alles in het werk zouden hebben gesteld om zo’n situatie snel te regulariseren. Er zijn getuigenissen die het tegendeel beweren. Dat moet nog worden onderzocht. Het basisprobleem is natuurlijk dat Unocal en Total moeten werken in een politieke situatie die desastreus is (guerillaoorlogen met minderheden zoals de Karen, hvs). De deontologie van het Birmaanse leger en politie is niet bijster sterk.” “Over de vraag hoe de oliebedrijven de veiligheid van de werf en de pijplijn hebben georganiseerd, daarover tasten we in het duister. Er zijn beschuldigingen over contracten tussen Total en Birmaanse legereenheden over veiligheidsbewaking, maar het blijft allemaal ondoorzichtig. We hebben enkele documenten gekregen, maar het valt moeilijk te bewijzen.”

Aubert beaamt dat deze contracten niet door Total zelf getekend worden, maar door Franse particuliere veiligheidsdiensten zoals OGS en Abac, een bont allegaartje van ex-werknemers uit veiligheidsdiensten, het leger of het vreemdelingenlegioen. Maar er blijft een waas van geheimzinnigheid die de commissie hoopt op te helderen.

Constructieve dialoog

Total en Unocal ontkennen elke betrokkenheid bij dit soort praktijken.Total-topman Thierry Desmarest gaf enkele maanden geleden tijdens een aandeelhoudersvergadering toe dat zijn bedrijf “opereerde in een aantal ontwikkelingslanden waarvan men zou kunnen zeggen dat de politieke en sociale omstandigheden er niet ideaal zijn”. “Maar als er geen wetteljike restricties zijn”, stelde Desmarest, “denken we dat we in die landen kunnen werken.”

De topman zei niet bang te zijn voor consumentenboycots en verklaarde dat het isoleren van Birma contraproductief werkt. Bonafide investeringen zouden het land en zijn bewoners ten goede komen en meer kansen bieden op democratisering. ‘Constructieve dialoog’, heet dat met een diplomatische term.

Dat is precies de term die de Franse autoriteiten gebruiken ter verantwoording van hun welwillende politiek ten aanzien van Birma. Ter verdediging van Total in verband met de Amerikaanse rechtszaak schreven advocaten ingehuurd door Total uit naam van de Franse staat een Amicus curiae aan de rechtbank in Los Angeles. Een citaat: ‘Maintenance of this action (juridische procedure, hvs) against Total in the United States courts will conflict with France’s foreign policy interests’. Kan het duidelijker?

Aubert: “Toen we de directeur Azië van het Quai d’Orsay (buitenlandse zaken, hvs) over deze brief ondervroegen, legde hij uit dat de investering van Total in Birma volgens hem een excellente zaak was, waarvoor de Franse staat zich bovendien garant stelde. De Franse politiek ten aanzien van totalitaire regimes is nu eenmaal anders dan die van de VS. Een embargopolitiek en economische sancties zouden stupide zijn en niet helpen. Investeringen daarentegen zouden het regime kunnen verbeteren.”

U bent in maart op bezoek geweest in Birma. En helpen de Franse investeringen? “Wat wij ter plaatse konden vaststellen, is dat de Franse ambassadeur in Rangoon niet echt verbonden is met Total. Hij ontvangt mevrouw Aung San Suu Kyi vaak en heeft een goede relatie met haar. Ook in internationale politiek is het vaak een kwestie van karakters.”

Pantouflage

Zowel Elf, vooral actief in de voormalige Franse kolonies, als Total, actief in de rest van de wereld, waren tot enkele jaren geleden in handen van de Franse staat. Het lijkt alsof de wederzijdse belangen nog steeds samenvallen. Een waarnemer stelde dat de staat vroeger het beleid van de twee oliemaatschappijen dicteerde, maar dat het nu andersom is: Elf en Total drukken hun stempel op de Franse buitenlandse politiek.

Aubert: “Het heeft altijd in twee richtingen gewerkt. Maar het is waar dat bijvoorbeeld in Afrikaanse landen zoals Tsjaad er altijd sterke banden hebben bestaan tussen Elf en de Franse diplomatieke vertegenwoordiging. Elf en Total zijn nu privé-bedrijven, maar de Franse staat heeft nog steeds golden chairs in de raad van bestuur van Total en Elf en heeft dus invloed. Ik heb wel de indruk dat de institutionele banden tussen staat en deze twee bedrijven langzamerhand losser worden. Wat we wel vaststellen, is dat hoge ambtenaren vaak in hoge functies werkzaam zijn bij Total of Elf en vice versa. Men springt heen en weer tussen privé en overheid. Dit zogenaamde pantouflage-systeem lijkt me niet erg gezond omdat er een verstrengeling ontstaat tussen publieke en economische belangen. Het is een stilzwijgende praktijk, die iedereen kent, maar waarover men niet praat.”

“Tegelijkertijd is het ook de mondialisering die maakt dat politici steeds meer gaan lijken op handelsvertegenwoordigers van grote bedrijven. Amerikaanse diplomaten verkopen Amerikaanse bedrijven, en Franse diplomaten zijn schoothondjes van Franse bedrijven. Het gebeurt overal, waardoor publieke belangen op cultureel, sociaal en ecologisch vlak het onderspit delven bij kortetermijnbelangen van privé-bedrijven. De politiek moet weer terrein heroveren.”

Aung San Suu Kyi heeft in 1996 gezegd dat Total door zijn Yadana-project de belangrijkste steunpilaar is van de militaire junta. U hebt haar laatst ontmoet. Denkt ze er nog zo over? “Ja, dat heeft ze ons opnieuw zo gezegd. Zolang het regime hetzelfde blijft, is ze tegen grote investeringen in haar land. Juist omdat ze de junta en een repressief apparaat versterken en niet ten goede komen aan de bevolking. Integendeel.”

“Weet u, het probleem is dat het dossier-Birma uit de aandacht is. Iedereen vindt Aung San Suu Kyi een fantastische persoonlijkheid; Maar ze dreigt een icoon te worden, terwijl concrete acties door Frankrijk of Europa om de zaak daar te deblokkeren uitblijven. Sancties wil men niet en alles draait gewoon door. Aung San Suu Kyi verwacht dat de junta snel zal instorten, mits de EU nieuwe maatregelen neemt en Birma verder isoleert. Ik vrees dat ze een beetje optimistisch is.”

Albert Frère

Total heeft een sterke lobby en heeft van de Franse politiek niet zoveel te vrezen. Maar achter de schermen baart het Birma-dossier de Franse oliegigant wel degelijk zorgen. Het bedrijf is moreel chantabel en kwetsbaar voor boycotacties, zoals er vorige maand een in België werd gelanceerd. Deze nuchtere vaststelling speelde volgens Franse beursanalisten, gespecialiseerd in olie, zelfs mee tijdens de fusiegesprekken tussen Total en Petrofina. Volgens deze analisten gebruikte de Waalse financier Albert Frère dit gegeven om een gunstige ruil van Petrofina-aandelen tegen aandelen Total te bedingen. Gisteren liep het openbaar bod af waarbij mensen hun aandelen Petrofina konden inruilen tegen aandelen van de nieuwe oliereus Totalfina. Twee aandelen Fina zijn goed voor negen nieuwe aandelen Total. Volgens beursanalisten was deze omruilkoers een van de oorzaken dat het aandeel Total na de overnameberichten in waarde daalde op de Franse beurs.

Petrofina-topman François Cornelis laat bij monde van zijn woordvoerster weten dat beursanalisten “het recht hebben analyses te maken” en hij “het recht heeft geen commentaar te geven”. Het dossier-Birma wil Cornelis nog bestuderen, zo luidt het. Albert Frère is de lachende derde en wordt met 9 procent de grootste aandeelhouder in Totalfina.

Opmerkelijk is dat het Belgisch parlement op 4 februari unaniem een resolutie goedkeurde, gesteund door minister Derycke, waarin Belgische bedrijven en touroperators worden opgeroepen ‘alle banden met Birma op het vlak van handel, investeringen en toerisme te verbreken’. Aangezien het uitgesloten is dat Totalfina zich terugtrekt, zal deze resolutie wat Petrofina betreft waardeloos blijven.

Tegenwerking

Volgens goed ingelichte bronnen wordt het werk van uw commissie tegengewerkt. Zo was het wel zeer toevallig dat Joseph Daniel, hoofd public relations van Total, lid werd van het kabinet van Laurent Fabius, voorzitter van de assemblee, uitgerekend in de week dat uw commissie werd geïnstalleerd.

Aubert: “Ja, dat laatste is juist. Ik wacht bijvoorbeeld nog steeds op documenten van het Quai d’Orsay, zoals diplomatieke telexen uit gevoelige perioden van het dossier. Ik weet niet of we ze wel zullen krijgen. En Total belt regelmatig om te horen hoe het er mee staat. Maar of je dat tegenwerking mag noemen…”

De Franse economische pers verkoos overigens Total-topman Desmarest onlangs tot ‘manager van het jaar’. Aubert: “Ik bespeur bij de Franse media een zeker fatalisme. Zo van ‘ach ja, het zal wel weer zo’n braaf rapport worden en verder niets’. Wel, ik hoop dat te logenstraffen.”

Het Franse rapport zal naar verwachting op 15 juli klaar zijn en vanwege het parlementaire reces begin oktober aan het parlement worden voorgesteld. Aubert stelt nadrukkelijk dat de commissie geen rechter wil spelen, maar vooral zo concreet mogelijk wil aangeven hoe er verbetering kan komen.

“Als wetgever willen we voorstellen doen over de positie van niet-gouvernementele organisaties, over hoe zij zich burgerlijke partij kunnen stellen bij justitie en wanneer bijvoorbeeld boycots effectief zijn of niet. We willen de lacunes in het internationaal recht vaststellen, waardoor multinationals ontsnappen aan verantwoordelijkheden ten aanzien van internationale verdragen en conventies. Internationale instanties zoals de VN moeten hen ter verantwoording kunnen roepen. We willen voorstellen doen over bedrijfscodes en het naleven ervan. Dit soort zaken zijn nog ver verwijderd.”

‘We willen de lacunes in het internationaal recht vaststellen, waardoor multinationals ontsnappen aan verantwoordelijkheden ten aanzien van internationale verdragen en conventies’

'Total moet zich terugtrekken uit Birma'

October 2nd, 2007

Franse onderzoekscommissie laakt investering TotalFina in Birma

Door Hans van Scharen

Gepubliceerd in De Morgen in 1999

TotalFina zou zich moeten terugtrekken uit Birma. Dat vindt een Franse parlementaire onderzoekscommissie.

De oliebedrijven Total en Unocal hebben niet vrijwillig gebruik gemaakt van dwangarbeid om hun pijpleiding in Birma te bouwen, maar hebben er door de totale militaire controle in het gebied wel van geprofiteerd. De aanwezigheid van deze bedrijven in Birma is dan ook ongunstig en de investering zou moeten worden bevroren.

Dat is een van de vele scherpe conclusies van de Franse parlementaire onderzoekscommissie die ‘de rol van oliemaatschappijen in de internationale politiek en hun invloed op ecologisch en sociaal vlak’ bijna een jaar lang onder de loep nam. Gisteren stelde de commissie haar rapport - ‘Pètrole et Ethique: une conciliation possible ?’ - voor aan de media. Daags voordien keurde een meerderheid van de parlementaire commissie buitenlandse zaken het rapport goed, waardoor het nu een publiek en officieel parlementair rapport is. Het in praktijk brengen van veel van de conclusies en aanbevelingen wordt echter nog een politieke strijd, erkende commissievoorzitster Marie-Hélène Aubert gisteren.

De commissie onderzocht naast de verhouding tussen internationale politiek en het oliebedrijf ook twee specifieke dossiers: de investering van Total in het militair bestuurde Birma en die van Elf Aquitaine in Tsjaad-Kameroen. De aangekondigde fusie tussen de twee Franse oliebedrijven maakte het onderzoek alleen maar delicater. De commissie baseerde zich voor haar rapport op bezoeken aan Birma en Tsjaad, stapels eerder verschenen rapporten en boeken en verhoren van hoge ambtenaren, zakenlui, gespecialiseerde journalisten en schrijvers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

In navolging van de Birmese oppositieleidster Aung San Suu Kyi beweren vele organisaties dat de investeringen van de oliebedrijven het fundament voor het totalitaire regime vormen. Albert Frère - via Petrofina grootaandeelhouder in TotalFina - zei op 18 september in deze krant dat de investeringen van TotalFina in Birma “de sociale en economische vooruitgang en naleving van mensenrechten helpen bevorderen”. De Franse commissie constateert dat dit niet zo is: “(…)De situatie (in Birma, hvs) verandert dus niet. De aanwezigheid van een buitenlands bedrijf in een dergelijke (maatschappeljike, hvs) context is verre van wenselijk, zowel voor de toekomst van de democratie in Birma als voor het imago van die bedrijven zelf”.

De aanwezigheid van TotalFina-Elf, de vierde oliemaatschappij ter wereld, is volgens de commissie bovendien dan ook schadelijk voor het imago van zowel Frankrijk als van het bedrijf zelf. Het bedrijf stelt zich dan ook bloot aan boycotacties.

TotalFina-woordvoerder Michel Delaborde erkende gisteren in een reactie dat dwangarbeid in Birma voorkomt: “Wij zijn niet blind. Maar het is niet de taak van ons bedrijf om daar iets over te zeggen. Daar zijn internationale politieke instanties voor. Ieder zijn verantwoordelijkheid.”

Delaborde ontkende dat TotalFina ook maar heeft geprofiteerd van dwangarbeid: “Er is noch sprake van dwangarbeid, noch van schending van andere mensenrechten op onze terreinen.” Delaborde verzekerde gisteren dat TotalFina zich aan de wet houdt. “Als er een politieke boycot zou komen, stoppen wij direct al onze investeringen in Birma. Wij investeren alleen in een land als dat toegestaan is door Frankrijk, Europa en de VN. Dat is voor Birma het geval.”

De onderzoekscommissie stelt in het algemeen vast dat zo de Golfstaten dan al rijk mogen zijn dankzij olie, de ontginning van deze voor de bevolking van de meeste landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië weinig goeds heeft opgeleverd.

Download en lees ook: De buitenlandse politiek van Elf en Total

Allez Zimbabwe? Aller Mugabe!

August 25th, 2007

‘Vis rot vanaf de kop’

Ruim een kwart eeuw na de onafhankelijkheid staat het land van Robert Mugabe aan de rand van de afgrond. Miljoenen mensen vluchten weg, landbouw en economie storten in, de inflatie groeit duizelingwekkend snel, het volk lijdt honger. Het regime houdt zich op de been met corruptie en naakte terreur. Hoe is het eigenlijk zover kunnen komen?

Door Hans van Scharen

Gepubliceerd in MO mei 2007

‘Ladies and gentlemen, Bob Marley and The Wailers’. Het zijn zowat de eerste officiële woorden die op 18 april 1980 klinken in het onafhankelijke Zimbabwe, minuten nadat de vlag van Rhodesië is gestreken en de nieuwe is gehesen.   

Marley, toen ’s werelds grootste superster uit de Derde Wereld, moest er niet lang over nadenken toen twee heren uit Zimbabwe hem in zijn kantoor in Kingston Jamaica kwamen vragen of hij met zijn groep tijdens de officiële onafhankelijkheidsviering wilde optreden. Hij beschouwde de invitatie als een enorme eer en betaalde alles uit eigen zak. Het leek een logisch gevolg: zijn nummer Zimbabwe was jarenlang hét strijdlied voor de gewapende guerilla van de Zimbabwe National Liberation Army (Zanla).

Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe ‘de Zanla’s’ in de bush luisterden naar hun kleine transistorradio en meezongen met Marley’s inspirerende zanglijnen: ‘Africans a-liberate (Zimbabwe), yeah!’

Maar dat er iets scheef zat werd Marley en de zijnen al duidelijk in die eerste uren na de onafhankelijkheid. Niemand had Marley verteld dat ze meteen na de plechtigheid in het Rufaro Stadium helemaal niet voor het volk zouden spelen, maar voor een select publiek uit de politiek, het bedrijfsleven, media, voor hoogwaardigheidsbekleders als Mugabe, de Britse prins Charles en de Indiase Indira Gandhi. Dat was niet wat de revolutionaire rasta’s – die net hun plaat Survival uit hadden – in gedachten hadden. Net zomin als de duizenden boze en nét onafhankelijk geworden Zimbabwanen, die buiten het stadion stonden en Marley ook wilden zien. Dus meteen na de start van het concert braken ze het hek open en stormden naar binnen.

Er werd met traangas op de demonstranten geschoten. Bevangen door het bijtende gas moest de groep het podium weer verlaten. Wat een feest had moeten zijn, werd een anarchistische chaos. En die chaos werd pas bedwongen toen de Zanla-guerrilleros door het stadion marcheerden.

Volgens de overlevering stond Marley weer als eerste weer op het podium en schreeuwde ‘Freedom’. Waarop een omroeper met benepen Brits accent ‘Bob Marley, u heeft nog exact twee minuten over.’ De groep trok zich er niets van aan, zette het nummer War in en eindigde pas twintig minuten later met de hit Zimbabwe. Of  Prins Charles het refrein ook meezong is niet geweten, maar toch zeker bijna het hele stadium.        

De volgende dag speelden The Wailers nog een concert voor 100.000 dol enthousiaste gewone mensen. Zo leek de onafhankelijkheid van Zimbabwe toch nog feestelijk te beginnen. Maar volgens getuigen was Marley er vreemd genoeg niet bij tijdens dat concert. Hij zong futloos en mat. Volgens intimi zat hij zwaar in zijn maag met het traangas-incident. Een aanbod om nog meer optredens te doen sloeg hij om nog andere redenen af. Achter de schermen bleek dat medewerkers van Mugabe aan de organisator duidelijk maakten dat het niet kon dat Marley via affiches als een grotere man werd weerspiegeld dan Mugabe. The Wailers verlieten ijlings het land dat ze zelf zo enthousiast bezongen.  

Tussen 18 april 1980 en 18 april 2007 is er een lange, turbulente weg afgelegd door vader des vaderlands Mugabe. Maar het aantal mensen dat hem nog echt, zoals in het begin, respecteert is bijzonder klein geworden, zo stelt emeritus hoogleraar Luc Huyse, die het land middels meerdere bezoeken goed kent. Huyse: ‘Mugabe’s regime overleeft enkel nog dankzij corruptie en terreur. Er is een groep die afhankelijk is van Mugabe’s overleven: niet alleen diens familie en clan, maar ook militairen, hoge ambtenaren, rechters. De ‘green bombers’, de privé-militie van Mugabe verdienen tien keer zoveel als een dokter.’   

Koude oorlog

Hoewel Mugabe’s ‘obsessie voor macht’ – zoals schrijver Wole Soyinka onlangs zei - de doorslaggevende rol speelt, heben ook buitenlandse mogendheden hun aandeel in de afgang van Zimbabwe. Huyse schreef: ‘Bij uitbreiding draagt ook de Afrikaanse Unie en haar onbegrijpelijke solidariteit met Mugabe schuld. Thabo Mbeki, de president van Zuid-Afrika, speelt daarin een donkere rol. Hij bewijst lippendienst aan het idee van een democratisch Afrika, maar spaart Mugabe. Ook westerse landen gaan niet vrijuit. De Franse president Chirac blijft het officiële zimbabwe uitnodigen op de Frans-Afrikaanse hoogmissen die hij organiseert. Portugal denkt er zelfs aan om Mugabe te inviteren voor de EU-Afrikatop van komende november. Wat erger is: we slagen er maar niet in om passend in, te grijpen als er weer een land afglijdt naar wat een falende staat heet. De knipperlichten zijn niet te missen. Maar Zimbabwe komt niet voor op de geopolitieke agenda van de VS en de EU. En België? Dat heeft enkele maanden geleden zijn ambassade in Harare gesloten. Ook schuldig verzuim weegt zwaar.’     

Pascal Richard van de ngo-koepel Zimbabwe Watch: ‘Veel linkse bewegingen en regeringen hebben te blind in Mugabe geloofd. Al twee jaar na de onafhankelijkheid werden in het zuiden mensen van de oppositie in elkaar geslagen en waren er de moordpartijen in Matabeleland waarbij zeker 20.000 doden vielen. Misschien wisten sommige ngo’s daar toen niet van, maar westerse regeringen zeker wel.’ 

Wilf Mbanga, hoofdredacteur van de in Londen geproduceerde krant The Zimbabwean, is het er volstrekt mee eens. Vele jaren nadat hij Mugabe in 1974 had ontmoet, waren zij intieme vrienden (Mbanga was 27 en Mugabe al 50 jaar): ‘We zaten vaak thuis bij Mugabe en zongen samen liedjes. Nee, geen Bob Marley, wel country&western! Mugabe sprak begeesterd over mensenrechten, vrijheid, onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen. Achteraf waren er al vrij snel signalen dat hij geen echte democraat was. Maar we keken niet nauwkeurig. Toen ons land nog Rhodesië heette, zeiden de blanke heersers dat ‘wij Afrikanen onszelf niet konden besturen’. Dus hadden we collectief de neiging om na de onafhankelijkheid bepaalde gemene trekjes van de nieuwe heersers niet te willen zien. In die eerste jaren hield iedereen van Mugabe. Wij wilden zo graag dat de blanke overheersers ongelijk zouden krijgen. Wij wilden zó graag dat Mugabe en zijn revolutie zou slagen.’

Wilf Mbanga zegt eerlijk dat zijn ogen pas heel langzaam zijn open gegaan: ‘Mugabe’s dorst naar macht was eigenlijk al heel snel duidelijk. En bovendien zeg ik nu dat er eigenlijk nooit echt socialistisch beleid is gevoerd. Wel veel retoriek.’ 

Richard: ‘In het begin ging er nog wel veel geld naar bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg, maar al vrij snel ging er steeds meer geld naar het veiligheidsapparaat en het leger. En begon het wanbeheer van de overheid.’

In de praktijk bleek de socialistische solidariteit met Mugabe niet erg vurig, stelt Richard: ‘Hij voerde een ‘look east’ politiek en zocht steun bij China, Iran, Maleisië en Libië. Er kwamen veel beloften maar daar bleef het vaak bij. Sommige landen gaven leningen om militair materiaal te kopen. Er was wel steun van communistische regimes als in China, maar die steun werd na de val van de Muur en het einde van Koude Oorlog minder en ook minder ideologisch.’

Huyse schreef recent over de invloed van buitenlandse mogendheden: ‘En dan is er de economische oorlog om grondstoffen. Ook die bestendigt in veel Afrikaanse landen de aanwezigheid van oorlog, wreedheid en corruptie. (…) De honger naar energie, waarmee China worstelt, drijft die nieuwe grootmacht naar Afrika. Daarbij stelt het geen vragen over wat zijn militaire hulp in ruil voor grondstoffen kan en zal aanrichten.’ In ruil voor militaire steun dreigt Zimbabwe ook nog zijn grondstoffen te verkwanselen.

‘Tussen 2001 en 2006 heb ik dat aanvankelijk relatief rijke en democratische land driemaal bezocht. Ik heb het in een ongelooflijk ritme zien wegzakken in een moeras van armoede en autoritarisme. Natuurlijk zijn president Mugabe en zijn clan de motor van dit proces. Maar dat de president kan doen wat hij doet, is mede te danken aan, opnieuw, China. Dat levert wapens en traint de oproerpolitie, hét instrument in de brutale vervolging van de oppositie. China is maar één van de partners in wat Mugabe de ruk naar het Oosten noemt. Ook Maleisië en Noord-Korea steunen hem. Zonder die hulp zou Zimbabwe veel leed bespaard blijven.’

Het Nederlandse europarlementslid Thijs Berman (PvdA) klaagt aan dat buitenlandse invloed ook nu nog funest is voor het verzet tegen de dictatuur: ‘Er is een onafhankelijk radiostation, erg belangrijk voor een land met veel analfabeten, dat uitzendt via Madagascar  Maar die uitzendingen wordt door de autoriteiten in Harare voortdurend onbeluisterbaar gemaakt, met apparatuur die is geschonken door China en gekocht bij het Frans-Nederlandse defensiebedrijf Thales.’   

Maar is het land niet nog meer de dieperik in gesleurd toen het de gewraakte structurele aanpassingsprogramma’s (SAP) van Wereldbank en Internationaal Munt Fonds (IMF) moest uitvoeren? IMF en Wereldbank erkennen nu zelf dat die SAP’s vaak een nefaste uitwering hebben gehad op de stabiliteit van arme landen. Richard:  ‘Dat is op zich wel een argument. Maar de ironie van Mugabe is wel dat hij zich altijd, en nu nog, als een links politicus presenteerde. Terwijl het Mugabe zélf was die eind jaren tachtig de rechts-liberale steun van Wereldbank en IMF is gaan zoeken. Zimbabwe had cash nodig.’

Mbanga: ‘In het begin waren er veel donors: de VS, Groot-Brittannië, Italië, Nederland. Er kwam veel geld binnen en er werden wegen en dammen aangelegd.. Maar ook de schulden stapelden zich op. En met de invloed van IMF en Wereldbank begon het ook sociaal bergaf te gaan. Maar de overheid verklaarde toen dat de SAP’s van eigen makelij waren en dat ze hun condities hadden afgedwongen bij IMF en Wereldbank. Dat was valse trots en opnieuw retoriek. De vakbonden en zelfs mensen uit Mugabe’s Zanu-partij waren er fel tegen en verklaarden dat hij zijn socialistische principes verliet. Die kritiek werd hen niet in dank afgenomen.’

Implosie

Mbanga: ‘De echte economische ineenstorting begon toen in 1997 de oorlogsveteranen hun onvrede massaal uitten. Ze marcheerden naar de residentie van Mugabe, waar ze vergaderden. Na afloop betaalde Mugabe hen miljoenen dollars, wat al snel leidde tot een enorme inflatie. Mensen verloren hun spaargeld.’ De inflatie bedraagt intussen zo’n 4000 procent.

Volgens Mbanga is Mugabe al jaren redelijk succesvol bezig om ‘de geesten van Afrikanen te vergiftigen’ met zijn tegen het neo-kolonialisme gerichte retoriek: ‘Mugabe verwijt iedereen alles, behalve zichzelf. Hij was echt geshockeerd toen de mensen zich in 1999 bij het referendum voor het eerst van hem afkeerden en hij verloor. Precies de volgende dag begon de invasie en inname van de 4000 blanke boerderijen door de oorlogsveteranen en mensen uit de entourage van Mugabe.’

Hoewel er iets te zeggen viel voor de herverdeling van landbouwgrond –één procent van de bevolking bezat 70 procent van de grond– had de manier waarop dat gebeurde de bekende desastreuze gevolgen. Het was een pure overlevingstactiek van een despoot in nood, stelt Mbanga: ‘Mugabe positioneert zich als de Afrikaanse leider die opkomt tegen het westers imperialisme en neokolonialisme. Het is één van de verklaringen waarom de Afrikaanse buurlanden Mugabe dit voorjaar, tijdens een vergadering van SADC in Tanzania, niet durfden terecht te wijzen. Zij zouden dan maar achter de agenda van het westen aanlopen.’

Huyse: ‘De schrik voor een totale implosie van het land en een nóg grotere vluchtelingenstroom, speelt ook een rol bij de houding van de SADC-landen. Een andere reden is dat sommige van die buurlanden landen op korte termijn zelf economisch beter worden van de ineenstorting van Zimbabwe. Zambia’s toeristische sector leeft enorm op, veel boeren zijn met al hun kennis naar Zambia gevlucht en het land heeft nu al de markt op het vlak van tabak en sierbloemen van Zimbabwe over genomen. Tot slot is er die Afrikaanse trots, waar Mugabe inderdaad op inspeelt én het traditionele respect voor bejaarde leiders.’

Volgens Mbanga heeft de macht bij Mugabe geleid tot een karakterwijziging, net als het huwelijk met zijn tweede vrouw Grace: ‘Zij heet de Afrikaanse Imelda Marcos. Mensen in zijn entourage hebben opgemerkt dat ze Mugabe in slechte zin beïnvloedde. Ze kleedde zich graag als prinses Diana en nam regelmatig het vliegtuig om in het buitenland te gaan shoppen. Ik herinner me een schandaal waarop ze in Zuid-Afrika op één weekend zo’n 40.000 euro uitgaf. Meer dan wat een gemiddelde Zimbabwaan in tien jaar verdient.’

Mbanga: ‘We zagen begin jaren negentig wel dat machthebbers openlijk corrupt waren. Maar ik geloofde niet dat Mugabe dat ook was. Intussen heeft Mugabe de grondwet al zeventien keer veranderd om aan de macht te kunnen blijven. Nu weten we dat Mugabe een ongelofelijke controlefreak is en dat er in Zimbabwe helemaal niets gebeurt zonder dat hij er van weet. Ja, nu weten we: de vis rot vanaf het hoofd.’     

In 1997 ontvluchtte Mbanga Zimbabwe. Steeds vaker werden hij en ook vele andere journalisten en uitgevers bedreigd en opgepakt. Zelfs krantenverkopers van zijn populaire krant The Daily News ondervonden problemen. Mbanga: ‘Door op de trottoirs die krant te verkopen, belemmerden zij de doorgang van het verkeer. Dat gold natuurlijk niet voor de andere kranten.’ Een bomaanslag op de redactie van The Daily News was de druppel voor Mbanga: ‘In het begin was er sprake van onafhankelijke media, maar na verloop van tijd begon de overheid steeds meer te interveniëren.’     

Grote artiesten hebben soms profetische gaven. Met de huidige situatie van het land in gedachten en de nefaste rol van kameraad Mugabe, krijgt de volgende strofe uit het lied Zimbabwe wel een bijzondere lading:

To divide and rule could only tear us apart;

In everyman chest, there beats a heart.

So soon we’ll find out who is the real revolutionaries;

And I don’t want my people to be tricked by mercenaries.’

Zou Marley nu anti-Mugabe liedjes zingen? Goed mogelijk, want Damian Marley, één van ’s mans meest succesvolle zonen besteedt in een recent nummer met rapper Nas aandacht aan ‘de schurk’ Mugabe. En weduwe Rita Marley stelde onlangs: ‘Bob zou zich totaal niet goed voelen over wat daar nu gebeurt. De onafhankelijkheid was voor ons een overwinning. Nu is Zimbabwe vooral een van de vele voorbeelden van slecht leiderschap in het continent.’

De Dorst is Groot

August 25th, 2007

Aman Iman, water is leven. Het is een populair gezegde in Niger en en alle landen van de regio met die onheilspellend klinkende naam Sahel. Voor dat water moet men in Niger ver en diep gaan. Een bericht over ’s lands hoop in droge tijden.

Hans van Scharen

Gepubliceerd in MO, mei 2007

In de Sahara besef je dat tijd en ruimte rekbare begrippen zijn. Zeker in de zomer, als de verschroeiende zon alles doet smelten en stollen tegelijk. Elke keer als je denkt dat je je nu écht bevindt in het absolute niets, een totaal verlaten deel van deze beangstigend grote woestijn, waar leven quasi onmogelijk is, duikt er in de verte plots een dromedaris of een ezel op, even later gevolgd door enkele soortgenoten en vervolgens een of meerdere Touaregs. Mensen als woestijnbomen. Even taai, even bestand tegen de eenzaamheid, de droge en warme wind en al evenzeer vechtend tegen het constante gebrek aan water. 

Niger, geldt volgens de VN-statistieken als armste land ter wereld. Men heeft er aan twee zaken géén gebrek: ruimte en zand. Bijna driekwart van dit enorme land bestaat uit verschillende soorten woestijn. Voor de rest is er een gebrek aan alles. De gemiddelde levensverwachting van de overwegend jonge bevolking is 49 jaar. Er wonen in totaal naar schatting 13 miljoen mensen, waarvan ruim 80 % op het platteland woont en ruim zestig procent leeft van (veel) minder dan een dollar per dag. In Niger overleven miljoenen mensen met praktisch niets. Maar zonder water overleeft zelfs de allerarmste, koppige overlever niet. Vooral in het droge seizoen – dat zich hoe langer hoe meer uitspreidt over het hele jaar  en wanneer de temperatuur oploopt tot 45 graden -  is water een constante zorg. Zonder water is het in de Sahel heel snel met je gedaan.

Als we even stoppen op een enorme vlakte – onderweg vanuit de provinciale hoofdstad Agadez richting de noordelijk gelegen ‘poort naar de woestijn’ – duiken plots, ook weer uit het niets, enkele kinderen op. Met een schoonheid waar menig fotomodel jaloers op zou zijn. Maar ook met dorst. Na het uitdelen van enkele meergranenkoekjes en snoepjes, gebaart het oudste meisje dat ze liever wat drinken zouden hebben.

Geen champagne voor deze fotomodellen, laat staan stromend water. Reizend door de Sahel, vraag je je voortdurend af hoe het kan dat mensen in deze ongenadige omgeving weten te overleven. Volgens Hassan Sanda van Unicef Niger heeft in de stedelijke gebieden zowat de helft van de mensen toegang tot drinkwater (dat betekent concreet één waterpunt per 250 mensen). Maar op het platteland is dat amper 13 procent. 

In het ogenschijnlijk uitgestorven dorpje Amatartar – gelegen in de enorme regio Tchintabaraden - maken enkele vrouwen zich klaar om met hun ezels achttien kilometer verderop hun jerrycans met water te gaan vullen. En daarna weer achttien kilometer terug. De mannen trekken rond met het vee, hun enige bezit. Desondanks werd een schooltje gestart, in een veredelde hut. Maar daar komt inmiddels bijna geen kind meer: er zijn geen middelen om de school van eten en water te voorzien. En dus moeten de kinderen meehelpen in de dagelijkse overlevingsstrijd. Her en der getuigen verdroogde, traditionele waterputten van een harde realiteit.      

In het Peul-dorp Ikadi, even verderop worden we als helden gastvrij ontvangen. Enkele meereizende leden van Unicef en Rotary België hebben beloofd om hier een nieuwe watervoorziening te financieren. Door tot op een diepte van 450 meter te boren moeten ze direct toegang tot drinkwater krijgen. Een waterput hebben ze verderop wel sinds 2001. Dat was ook het moment waarop de ongeveer duizend veehouders van Ikadi hun nomadenbestaan hebben opgegeven, vooral dankzij de aanhoudende droogte en het feit dat het steeds moeilijker werd om water te vinden. De gecementeerde waterput – gefinancierd door de overheid van Niger – voldoet niet. Ezels zijn minutenlang bezig om een waterzak omhoog te trekken. Wat bovenkomt is waterige, zwarte drap, op zijn best drinkwater voor het vee. Een moskee hebben ze hier wél: enkele stenen in het zand bakenen de plaats om te bidden af. Roumar Ayaha, burgemeester van de regio Tchintabaraden: ‘Als moslims wassen we ons hier met zand in plaats van met water. Dat is om te drinken. En dan zeggen sommigen dat we daarom slechte moslims zijn!’ 

Ayaha wijst naar een jongen en een meisje die ezels aansturen die water omhoog trekken. ‘Waarom sturen ze hen niet naar school?! Dit betekent het verlengen van de armoede problematiek. Want ze zetten nu alleen in op hun enige rijkdom: hun vee. Maar één ernstige droogte en ze zijn in één klap al hun rijkdom en buffer tegen honger kwijt. Alleen schoolgaande kinderen kunnen ontwikkeling brengen.’ 

Maar om kinderen naar school te laten gaan, heb je op zijn minst water nodig. Hassan Sanda: ‘Water is prioritair in elk ontwikkelingsprogramma. Als je hier op het vlak van gezondheid of onderwijs iets wilt bereiken, dan is water essentieel.’

De heilige pomp

Dat een lokale gemeenschap relatief welvarend kan leven, zien we in het dorp Kaou. Vol  trots en in vol ornaat presenteert de gemeenschap – bestaande uit Touareg, Peul en Haussa – zich rond hun ‘miniwaterstation’. Sinds 2001 wordt hier water op een diepte van 446 meter opgepompt. Het water wordt deels opgevangen in een reservoir van 30 kubieke meter en via 3000 meter leidingen verdeeld over het dorp. Via negen verschillende verdeelpunten kunnen de in totaal 35.000 mensen zich bevoorraden.

Kosten: 45.000 euro, betaald mede door de EU. Vol trots stelt het beheerscomité van het dorp zich voor. Zij beheren de installaties en het geld. Het waterstation staat op de hoogste plek van het dorp, de waterpomp is als ware het een heiligdom omringd door een hekwerk. Elke maand legt het beheerscomité verantwoording af over de inkomsten uitgaven. ‘Er staat vijf miljoen CFA op de bank. Voor als er iets kapot gaat.’ Dat de pomp maar enkele uren per dag draait komt vooral door de dure benzine.

‘Vroeger moest ik elke dag zes kilometer lopen voor water,’ zegt Hadegatou, een oude Peul-vrouw, die met haar ezeltje opweg is naar een ‘fontein’. ‘Nu heb ik meer tijd voor andere dingen. Hoewel er hier soms ook wel lange wachttijden zijn hoor.’ Een kwartier later heeft ze haar jerrycans voor 15 CFA gevuld.  

Per familie én hun vee is er gemiddeld 80 liter water beschikbaar (een Europeaan heeft gemiddeld 100 liter). Dat is niet veel, maar de toevoer is gegarandeerd en dat betekent bestaanszekerheid. Ook als de traditionele putten droogvallen, is er water. De lokale schooltjes draaien goed. ‘En de met gebrekkige hygiëne gerelateerde ziekten is gedaald,’ zegt de voorzitter trots. ‘In periode van droogte komen mensen uit de hele regio hier met hun vee naartoe. ’   

Maar met 500 CFA per kubieke meter is het water in Kaou wel duur, stelt Abdel – onze Touareg-gids, die nog vocht met het FARS (Forces Armé Revolutionaire du Sahara): ‘In Agadez betalen we maar 125 CFA per kubieke meter. Als je weet dat mensen die geen werk hebben nog geen 50 CFA op een jaar verdienen.’ Net als enkele andere bronnen stelt Abdel dat corruptie en machtsmisbruik een groot probleem is: ‘Men spreekt sinds de verkiezingen wel over het decentraliseren van het bestuur en geeft meer macht aan gouverneurs en burgemeesters. Maar een goed menende burgemeester heeft onvoldoende middelen om zo’n groot gebied te controleren en te zien wat lokale chefs allemaal uitspoken.’

Zo essentieel een waterbron is voor overleven, zo groot is de macht die er aan ontleend kan worden. Abdel: ‘In de brousse geldt als regel dat zelfs al gaat hem om een publieke waterput, dan nog zal een lokale chef zijn macht doen gelden en een betaling eisen voor het gebruik, bijvoorbeeld een geit om de zoveel maanden (een geit brengt maximaal 15.000 CFA op). De chef doet regelmatig een cadeau aan de burgemeester, die op zijn beurt aan de gouverneur en die weer aan de minister. Al moet ik toegeven dat er heel langzaam iets begint te veranderen met de democratisering en decentralisering.’

Ook daarom zijn waterprojecten zoals in Kaou goed. Mits goed en transparant beheerd, doorbreken ze monopolieposities en machtsmisbruik.           

Toegang

Zoals in zoveel plaatsen is een gebrek aan voedsel en water niet alleen een kwestie van voldoende aanbod, maar van onvoldoende toegang.

In de enorme regio Tchintabaraden wil de regionale overheid dat elke gemeenschap van 2000 inwoners een mini-waterstation zoals in Kaou krijgt. Dat betekent dat er op een, bevolking van twee miljoen zo’n 2000 van die stations moeten komen. Er zijn er momenteel 94 in de hele regio (113.000 vierkante kilometer). En dat is nog maar één regio. Het hele land is erg dorstig.

Het hele continent is dorstig: 350 miljoen Afrikanen hebben geen tot onvoldoende toegang tot drinkwater. De vraag is met het huidige tempo aan investeringen millenniumdoelstelling nr. 10 wel wordt gehaald? De World Water Council schat dat voor heel Afrika tussen de tien en dertig miljard dollar nodig zal zijn. Het weekblad Jeune Afrique becijferde dat het doel voor Afrika dus pas gehaald zal worden in 2080 en niet 2015.

Is het gevoel van urgentie in Niger zelf wel aanwezig? Verschillende gouverneurs en hun ‘hydraulische ambtenaren’ vertellen bijna gretig hoe er eigenlijk helemaal geen waterschaarste is. ‘We leven boven een oceaan van water. Maar liefst 1,3 miljard kubieke met water zit er in de verschillende geologische lagen, van 100 tot 800 meter diepte. Als we daarop kunnen aansluiten is het waterprobleem opgelost,’ klinkt het optimistisch. Maar dat boren en aansluiten kost dus veel geld.     

En als ngo’s en de VN zoveel werk doen, wil dat dan niet zeggen dat de overheid teveel laat liggen? Hassan Sanda: ‘In Niger is er op het vlak van investeringen in water veel aan het gebeuren. Er worden veel fondsen vergaard en investeringen voorbereid. We zitten volop in een hervormingsproces. Als een lokaal of regionaal bestuur dan een beroep doet op ngo’s dan betekent dat niet meteen dat de staat níets doet. Er is een overheidsprogramma rond water, maar er is een gebrek aan geld.’ De president van Niger, Amadou Tandja, heeft een speciaal presidentieel programma van 5 miljard CFA, om de komende jaren in watervoorzieningen te investeren. Dat geld is vrijgekomen dankzij schuldsaneringen. Zal het genoeg zijn? Sanda: ‘Absoluut niet. In de regio Tahoua heeft pas de helft van de bevolking toegang tot drinkwater. Dus op dit moment zijn de behoeften enorm! Er zijn enorme investeringen nodig.’

Hakim, een tv-journbalist vertelt: ‘Er is kritiek op de centrale overheid die jarenlang te weinig investeerde in cruciale sectoren als water, gezondheidszorg en onderwijs. En nu, onder het mom van democratie, via decentralisering meer overlaat aan regionale besturen. Maar niet elk lokaal bestuur is in staat dit goed te beheren.’

De nationale overheid vroeg en kreeg intussen geld van internationale donoren als de Wereldbank, de African Development Bank, Frankrijk en China: tussen 2001 en 2008 zo’n 60 miljoen dollar. Veel geld, maar letterlijk druppels op een hete plaat. Bovendien onderzoekt de overheid momenteel de uitkomst van de conclusies van de ‘Nationale sociale dialoog’, waaronder dat privatiseringen in de watersector tot te hoge prijzen leiden.  

Vandaar dat ook het geld en de expertise van relatief kleine donoren als Unicef en Rotary België met open armen worden ontvangen van burgemeester, gouverneur en sultan tot de gewone bevolking.

De vraag aan de gouverneur van de regio Tahoua en zijn medewerkers is of de centrale overheid wel voldoende investeert:  ‘Ja, de overheid investeert wel al enkele jaren in de watersector. Maar u weet neem ik aan van de beperkte middelen van de overheid?’

Ontkennen dat Niger een armlastig land is, is als zeggen dat de Sahara een vochtige regio is. Maar het geklaag van de overheid over beperkte middelen moet men een korrel zout nemen. De vorige en huidige minister van Onderwijs kwamen enkele maanden geleden in opspraak omdat er 1,5 miljard CFA bestemd voor basisonderwijs is verdwenen. Directeur Mamane Abou en hoofdredacteur Oumarou Keita, van het blad Le Républicain, zitten in de gevangenis omdat ze over de affaire berichtten.  

‘Het probleem van Niger is niet een gebrek aan middelen of hulpbronnen, maar vooral het corrupte en slechte beheer ervan,’ foetert Meriam, een vrouw die voor een internationale organisatie werkt en het ooit – dankzij hard knokken en werken - tot burgemeester schopte. ‘Ik verliet de politiek omdat ik gedegouteerd was. Iedereen zei me dat ik net als iedereen ook de cadeaus moest aanpakken. Maar dat vertikte ik.’      

Klimaatverandering en conflicten

De overheid maakt best haast met zijn waterprogramma, want de VN voorspellen nog meer droogte. In grote delen van Niger valt gemiddeld 100 millimeter water per jaar. Door afnemende regenval mede als gevolg van klimaatverandering, rukt de woestijn met 6 kilometer per jaar op en bedreigt de toch al zwakke landbouw in het zuiden. De 4200 kilometer lange rivier de Niger – die de landbouw in tien landen moet bewateren - verdroogt op sommige plaatsen, ook al geen goed nieuws voor de voedselproductie. De oogst van graan, sorghum en zou de komende decennia kunnen dalen met een kwart tot driekwart als gevolg van klimaatverandering (verminderde regenval en opdrogende rivier de Niger), zo voorspelt het eind 2006 verschenen VN-rapport ‘Beyond scarcity, Power, poverty and the global water crisis’.  En al is de ergste verschrikking van de hongersnood van 2005 voorbij, zo vertelt een Indiase arts in een centrum voor ondervoede kinderen, minstens de helft van de bevolking is nog steeds ondervoed. De komende maanden wordt opnieuw gevreesd voor hongersnood, al ontkent de overheid dat in alle toonaarden. 

De VN waarschuwden in april dat de Sahel grote periodes van drogote zal kennen. Maar dat weten ze hier al lang.  Issouf Maha, ‘burgemeester’ van de enorme regio Tchirozerine: ‘Elke tien jaar hebben we een grote droogte. Maar door de klimaatverandering staat alles op zijn kop. De watervoorraden op relatieve diepte drogen uit. Voor onze toekomst zijn we aangewezen op diepe watervoorraden.’

Begin april werden vijf vredessoldaten van de Afrikaanse Unie in Sudan doodgeschoten. Ze bewaakten een waterput vlakbij de grens met Tsjaad. Controle over grond en water en conflicten tussen nomadische veetelers en boeren is een onderliggende kwestie in het verwoestende Sudanese conflict. Sommige waarnemers vrezen dat soortgelijke conflicten ook in andere Sahellanden kunnen ontstaan. En als het probleem van toegang tot water de komende jaren niet beter beheerd wordt, dan riskeert ook Niger grote burgerconflicten zoals in Tsjaad of Sudan.

Issouf Maha: ‘Door de bevolkingsgroei neemt de druk op de natuurlijke hulpbronnen toe.

En dat leidt tot conflicten. Er was een traditioneel evenwicht tussen de nomadische veetelers van het noorden de landbouwers van het zuiden. De eersten trokken met karavanen naar het zuiden en leverden zout, mest, melk en vlees, in ruil voor andere voedselproducten. Nu is er door grondschaarste druk vanuit het zuiden, hetgeen tot problemen leidt voor de Peul en Touareg in het noorden. In tijden van droogte trekken zij juist naar het Zuiden op zoek naar water.’

Hopelijk is de overheid in de hoofdstad Niamey voldoende doordrongen van de urgentie.

‘Bijna alle ruzies en conflicten die we hier meemaken hebben betrekking op de controle van waterbronnen,’ zegt Abdel.   

We zijn er op een avond zelf getuige van nabij het dorpje Chikat in de regio Tchintabaraden. De Unicef-delegatie bezoekt een vlakte waar men een drinkwaterbron wil realiseren. Maar bij een vlakbij gelegen drinkwaterplaats voor vee ontspint zich al snel een verhitte discussie met de privé-eigenaar en zijn medestanders. Deze man ziet het totaal niet zitten dat hij zijn monopolie kwijt zou raken, door een publieke waterput. De sfeer wordt grimmig. ‘Ik sterf nog liever strijdend dan dat ik een nieuwe waterput toelaat,’ werpt struise eigenaar de Unicef-mensen toe. ‘Water behoort iedereen toe. U gedraagt zich tamelijk egoïstisch,’ werpt één van hen de privé-eigenaar toe. Het kamp dat op de vlakte was opgeslagen wordt ijlings weer afgebroken. VN-veiligheidsvoorschriften heet het officieel. Maar achteraf blijkt dat de privé-eigenaar nu moreel onder druk staat: want hij heeft de streek ten schande gemaakt door ons geen gastvrijheid te verlenen. 

Sanda: ‘Deze privé-eigenaar gedraagt zich als een kleine ‘Lyonnaise des Eaux’ (Groep Suez, hvs). Gezien onze beperkte financiële middelen, leggen we liever een nieuwe waterput in een plaatsje als Amatartar aan.’ 

Download PDF: De dorst is groot

India viert 60 jaar onafhankelijkheid

August 25th, 2007

De grootste democratie ter wereld viert deze week feest ter gelegenheid van 60 jaar onafhankelijkheid. Het gaat economisch zo goed dat India na China het volgende economische wonder wordt genoemd. Zij het dat vele duizenden mensen de verjaardag vieren met natte voeten en honderden miljoenen armen sowieso niets te vieren hebben.

Gepubliceerd 17 augustus 2007 op MO.be

Door Hans van Scharen/One World Asia

Er gaat geen dag voorbij of er staat wel een bericht over het Indiase economische wonder in een van de katernen van een dagblad. Stond India eind jaren tachtig nog bekend als een arm en vervuild land, hoogstens toevluchtsoord van westerse hippies, nu oogst het enorme land alleen nog superlatieven en beate bewondering. Een automatiseringsbedrijf dat niet al lang en breed in India zit, kan het eigenlijk wel vergeten, zo luidt de teneur.

De economische opmars van de op twee na snelst groeiende economie ter wereld, met groeipercentages van 8 tot 9 procent, is natuurlijk ook opzienbarend. Maar de nieuwe supermacht in wording, als welkom evenwicht naast die andere reële supermacht in wording China, roept ook vragen op.

Indiase renaissance

Zoals hoe de Indiase renaissance eigenlijk tot stand kwam? India-expert en onderzoeker van het Instituut Clingendael in Den Haag, Roel van Veen, onderscheidt interne en externe factoren die ‘de opmars van de olifant’ van de laatste vijftien jaar in gang hebben gezet. Extern was er de eerste golfoorlog in 1990, waardoor duizenden Indiase gastarbeiders uit de golf terugkeerden, waarmee een belangrijk deviezenstroom (remittances) opdroogde. Er was het Golfoorlog-effect van de dure olie en het feit dat India in die periode (einde van de Koude Oorlog) een belangrijke afzetmarkt verloor: de Sovjet-Unie.

Intern was er veel onrust: de grote roerganger Rajiv Ghandi werd vermoord, waarmee een nieuwe regering aantrad. Tot veler verrassing koos deze regering – geholpen door internationale omstandigheden – hier en daar voor een koerswijzigingen tégen de politieke en economische tradities in. Dat was deels te wijten aan bepaalde politici zoals Manmohan Singh die in het buitenland hadden gestudeerd en invloedrijke hindoe-zakenmensen.

Het ‘lot’ lijkt te hebben bepaald dat de economische hervormingen ook zijn gelukt, tegen de sterke traditionalistische onderstroom van India in, stelt van Veen. Net als in China vertonen in India zowel strikte Hindoes van de BJP als de leden van de Communistische Partij een mooi schisma tussen enerzijds de ideologische retoriek en anderzijds het beleid. Of ze weten die twee juist pragmatisch te combineren.

De grote vraag is of het traditionalistisch ingestelde India de razendsnelle vooruitgang op sociaal vlak wel zal aankunnen? En of de zoete druiven van de economische boom, wel doorsijpelen naar de enorme onderlaag van honderden miljoenen armen? Het antwoord op die laatste vraag lijkt tot nog toe negatief, ondanks het ontstaan van een sterke middenklasse.

Messcherp rapport

Uitgerekend in de feestweek van de onafhankelijkheid kreeg premier Singh een rapport aangeboden van de ‘National Commission for Enterprises in the Unorganized Sector (NCEUS)’, die de arbeidsomstandigheden in de gigantische informele sector moest onderzoeken. Het rapport (Report on Conditions of Work and Promotion of Livelihood in the Unorganised Sector) onderzocht data tussen 1993 – 2004 en is messcherp. Ondanks de economische groei leven 836 miljoen Indiërs in bittere armoede, in concreto van een gemiddelde aalmoes van 20 roepia per dag. Liefst 86 procent van alle arbeiders of werknemers in de informele sector werken zonder enige vorm van sociale bescherming en in slechte omstandigheden.

Een extra gevoelige factor voor India’s heersende elite is dat de meerderheid van deze informele, ongeletterde werknemers vaak dalits of onaanraakbaren en moslims zijn. De huidige Indiase overheid richtte de NCEUS juist in 2004 op om te zien in hoeverre er maatregelen genomen moeten worden voor de enorme groep niet beschermde werknemers. De NCEUS bepleit inderdaad betere arbeidsreglementering en minimumlonen, hetgeen én goed voor de economie én goed voor armoedebestrijding zou zijn.

Het feit dat duizenden Indiërs de verjaardag van hun land met natte voeten of opeengepakt moeten vieren door de hevige moesson, vaak verstoken van enige hulp, zegt iets over de enorme kloof die er in dit land bestaat tussen het in zakenkranten bejubelde economische wonder en de armoede op platteland. De olifant danst prachtig, maar wel op een slap koord.

In Soedan bouwt men ook aan vrede

July 9th, 2007

Hans van Scharen interviewt Soedanese mensenrechtenactivist Mudawi Ibrahim AdamMensenrechtenactivist Mudawi Ibrahim Adam kan niet wachten tot hij terug kan naar huis. Thuis, dat is Khartoum, de hoofdstad van Soedan. Dat mysterieuze land, voor veel westerlingen synoniem met wreedheid en barbarij. Talloze keren werd hij al door het regime van president Bashir gearresteerd. En toch, ingenieur Mudawi Ibrahim Adam, in 2001 mede-oprichter en voorzitter van de onafhankelijke organisatie SUDO (Sudan Social Development Organisation), wil zo snel mogelijk terug.

Aan de gastvrijheid van de Koning Boudewijn Stichting in Brussel, waar hij een prijs voor zijn werk ontving, lag het niet: ‘In Soedan heb ik mijn familie, mijn vrienden, mijn taak. Zondag vlieg ik gelukkig terug’.

SUDO houdt zich zowel bezig met mensenrechtenwerk als met vredesopbouw door te investeren in projecten rond watervoorziening en gezondheidszorg. De organisatie is erg actief in Darfur en verleent er humanitaire hulp aan de duizenden vluchtelingen. Dr. Mudawi probeert met zijn organisatie om in deze geteisterde regio, samen met verschillende bevolkingsgroepen en stammen allerlei vredesbevorderende en verzoenende projecten van de grond te krijgen. Een lastige klus. Zoals bekend is het opbouwen van duurzame vrede na een gewapend conflict zoveel moeilijker dan het starten van het conflict zelf.

Mudawi: ‘Wij verlenen diensten aan mensen niet omdat ze noden hebben, maar omdat wij vinden dat ze rechten hebben. Het is een recht om toegang te hebben tot schoon water, sanitair, en gezondheidszorg. We hebben nu dertien afdelingen in heel Soedan, waarvan vijf in Darfur. We waren de belangrijkste Soedanese ngo die in die regio humanitair werk deed. We werken in de vluchtelingenkampen en richten klinieken op, we verlenen psychosociale hulp, richten centra op waar jongeren een beroep kunnen leren, doen aan herbebossing. We helpen mensen met allerlei oorlogstrauma’s, zoals slachtoffers van verkrachting. En we proberen activiteiten op te zetten met verschillende stammen in het kader van verzoening en vredesopbouw.’

Is SUDO een door de overheid erkende ngo en waar krijgen jullie de middelen van?

Mudawi: ‘Ja, we zijn geregistreerd bij de overheid. En voor onze verschillende programma’s werken we met partnerschappen. In Darfur werken we bijvoorbeeld met Caritas International en Caritas België en ACT.’

Hoe zit het eigenlijk met de religieuze achtergrond van de internationale hulp? Er is al kritiek geuit op het feit dat christelijk, evangelische groepen in de VS het conflict in Darfur misbruiken door het voor te stellen als een conflict van moslims tegen christenen. Terwijl in Darfur moslims meestal moslims aanvallen.

Mudawi: ‘Inderdaad, in Darfur wonen islamitische gemeenschappen. Er is géén conflict tussen de islam en christendom in Darfur. Soms worden de zaken te simpel voorgesteld. Ook door te stellen dat het Arabieren tegen Afrikanen zijn. Onzin. Stel gewoon de simpele vraag wie er in Soedan géén Afrikaan is. We wonen allemaal al generaties op het Afrikaanse continent. Zoals u weet betekent het woord Soedan ‘het land van de zwarten’ en zijn we, inderdaad met verschillende gradaties, allemaal zwart. Je kunt niet onderscheiden wie Afrikaan of Arabier is. Er zijn wel verschillende stammen en etnische groepen. En die worden dan gemobiliseerd door bepaalde politici om tegen elkaar te vechten. De een aan de kant van de rebellen en de andere aan de zijde van de overheid. De oude tactiek van verdeel en heers die al sinds oudsher en ook tijdens het kolonialisme wordt gebruikt.’
‘Soedan bestaat uit ongeveer 600 verschillende stammen, zo’n 79 etnische groepen en kent ruim honderd verschillende talen. Er waren en zijn in de geschiedenis altijd wel lokale conflicten geweest, gebaseerd op de strijd om primaire behoeften als water en vruchtbaar land. Van dit soort kleinschalige conflicten maakt de centrale overheid handig gebruik. Dus als er een conflict is tussen de autoriteiten in Khartoum en lokale stammen, dan gebruikt de centrale overheid die lokale onenigheid, door de ene groep privileges en straffeloosheid toe te kennen, hen te bewapenen en hen aan te moedigen om te vechten. Het is meestal niet het Soedanese leger dat vecht, maar allerlei gewapende militiegroepen. Zo zijn kleinschalige conflicten enorm uitvergroot en geëscaleerd.’

Uit gesprekken met politici van oppositiepartijen, diplomaten en ngo’s blijkt steeds weer dat de overheid in Khartoum het wel heeft over vrede in Darfur, maar in de praktijk alleen maar bezig is met het bestendigen van zijn machtspositie.

Mudawi: ‘De regerende en overheersende partij van president Bashir wil inderdaad alleen de macht behouden. Dat gaat dus niet samen met anderen hun rechten toekennen. Dat zal ook niet zomaar gebeuren. De klacht van de andere regio’s zoals Darfur, Zuid-Soedan en Oost-Soedan dat ze gemarginaliseerd en vergeten worden door Khartoum, is terecht. Zij willen gelijke rechten, willen macht delen, willen dat er ook bij hen geïnvesteerd wordt…Wel, als je naar een democratische federale staat zou evolueren, waarin burgers hun eigen mensen kunnen kiezen, dan hebben de huidige machthebbers totaal geen garanties meer. Een écht representatieve overheid waar alle regio’s in zijn vertegenwoordigd, is bedreigend voor de huidige elite. De overheid vreest terecht dat als ze meegaat met de eisen van de bevolking uit die verschillende regio’s, simpelweg haar macht te verliezen.’

Maar als ze niets doen, zullen ze hun macht ook verliezen, omdat dan bijvoorbeeld het streven naar onafhankelijkheid sterker zal worden.

Mudawi: ‘Ja, het is een zeer kortzichtig beleid, dat bijna alleen uitgaat van het verdeel en heers principe. Je kunt wel een tijdje verdelen en heersen, maar als je dat te lang blijft doen, dan kun je de situatie op den duur niet meer managen. Je kunt al die verschillende milities en elkaar bestrijdende groepen niet meer controleren.’

En precies dit, het fragmenteren van het gewapende conflict, is wat zich recentelijk in Darfur afspeelt?

Mudawi: ‘Ja, men begint zich in Khartoum nu te realiseren dat ze niet langer de controle hebben. De staat is nu dus nu al macht aan het verliezen. Mensen verliezen vertrouwen in de staat en de hele zaak kan instorten. Daar zit pas het échte gevaar voor Soedan en de heersende machthebbers moeten dit inzien. Er is een verschil tussen een instortend regime en een instortende staat. Als dat laatste gebeurt, dan is dat het einde. Als men denkt vanuit een nationaal Soedan en men wil dit land als een staat behouden, dan moet men snel beginnen werken aan het bouwen aan vertrouwen van mensen uit de verschillende regio’s in die staat. En hoe de conflicten opgelost kunnen worden op een manier dat dit land in de toekomst ook één land kan blijven.’

De overheid speelt nu dus Russische roulette met de toekomst van heel Soedan?

Mudawi: ‘Ja, inderdaad. De huidige situatie is heel, heel gevaarlijk. Ook voor de internationale gemeenschap. Dit gaat echt om een internationale veiligheidskwestie. Want als Soedan zoals Somalië een chaotische ingestorte, falende staat zou worden, dan heeft dat enorme gevolgen voor de hele regio. Soedan grenst aan negen landen, is het grootste land in Afrika, heeft de omvang van Europa. Verschillende stammen zijn gescheiden geraakt door de koloniale grenzen. Als Soedan door escalerend geweld instort, dan zal dat geweld niet aan de grenzen stoppen, het zal voort branden tot aan de oceaan en Europa zal er ook de gevolgen van dragen. Je krijgt allerlei reacties en gevolgen die je nu niet eens kunt overzien. Omdat je automatisch de bemoeienis van allerlei groeperingen krijgt. Er zullen fundamentalisten en verschillende buurlanden zullen allemaal hun eigen agenda een rol spelen.’

En zoals de recente geschiedenis in Afrika aantoont: oorlog is business. Maar denkt u dat de overheid in Khartoum doordrongen is van deze urgentie? Gezien de verkiezingen in 2009 wordt het komende jaar cruciaal voor het voortbestaan van de staat Soedan.

Mudawi: ‘Ik denk in ieder geval niet dat er sprake is van een coherent en planmatig beleid vanuit Khartoum. Het enige waar men goed en efficiënt in is, is het managen van crises. Maar men denkt niet veel verder dan elke crisis. En dat is weer een probleem voor het houden van verkiezingen. Want daarvoor moet men een volkstelling houden. De laatste dateert van vijftig jaar geleden. Maar om een volkstelling te houden moet je een demarcatie van de grenzen hebben, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de kiesdistricten en om daarna het aantal kiesgerechtigden en het aantal kandidaten vast te stellen. Dit is niet mogelijk om in een jaar te realiseren. Men bekvecht nu al zeven jaar over een heel klein stukje grens tussen Soedan en Ethiopië. En ondanks de vrede in Zuid-Soedan via de CPA, is er nog steeds geen overeenstemming over een stukje grens tussen het noorden en het zuiden, waar olie gevonden is. Dus hoe kun je dan grenzen markeren en een volkstelling te houden? Ook de verschillende stammen zullen bij zo’n demarcatie stellen dat de grens van hun gebied net iets verder ligt, hetgeen simpelweg te maken kan hebben met een daar gelegen, voor hen essentiële waterput. Dus het is heel onwaarschijnlijk dat er sprake zal zijn van enige verkiezing.’

Zeker als dezelfde overheid het tribalisme alleen maar heeft aangemoedigd, hetgeen niet gunstig lijkt voor het opbouwen van een nationale staat.

Mudawi: ‘Dat is niet zozeer het probleem. Het is juist een probleem dat het tribalisme, het feit dat Soedan bestaat uit honderden stammen altijd ontkend werd op het niveau van de intellectuelen en de elites. Het zich afwenden van deze tribale achtergrond, gebeurde bijvoorbeeld via het onderwijs. Maar tribalisme is hier altijd geweest, dat moeten we onder ogen zien en vanuit die stamverbanden moeten we vertrekken. Pas als de stammen voelen dat ze in hun bestaan worden erkend, dat ze rechten krijgen en deel uitmaken van een geheel, kun je iets opbouwen. En kun je over gemeenschappelijkheden binnen een staat en over co-existentie praten. Anders blijf je altijd met conflicten tussen stammen zitten.’

In hoeverre speelt de eeuwenlange slavenhandel en racisme, via en vanuit Soedan, en die zelfs vanaf begin jaren tachtig weer nieuw leven werd ingeblazen, nog een rol in de conflicten? Iedereen verwerpt inmiddels slavernij, maar deze praktijk heeft wel bloedige sporen in de geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen achtergelaten. In 2001 werden naar schatting 15.000 slaven - vooral afkomstig uit het zuiden - in Soedan bevrijd.

Mudawi: ‘Weet u, superioriteit in een tribale context speelt een belangrijke rol. Als je een nieuwe generatie binnen een stamverband groot wil brengen volgens de tradities van die stam, dan moet je bijna automatisch gaan beweren dat die tradities, normen en waarden beter zijn dan die van anderen. Superioriteit dus, want anders zullen je tradities op den duur op losse schroeven komen te staan. Dat speelt van het noorden naar het zuiden: de noorderlingen vinden zich beter dan de Dinka’s en die zijn weer beter dan de zuidelijke stammen en die weer beter dan de Equatorianen. Dus we moeten erkennen dat die ideologie gebaseerd op stamverband een belangrijke rol speelde en speelt.’

‘Gebaseerd hierop kon men slavernij ook makkelijker goedpraten. Er bestaat veel verwarring over dit fenomeen bij intellectuelen. Neem nu dat verschil tussen Arabieren en Afrikanen. Je kunt er hoogstens van uitgaan dat sommigen inderdaad deels Arabische roots hebben en de Nuba afstammen van Nubiërs en Dinka van weer een andere groep, maar alle Soedanesen zijn Afrikaans. Als een Soedanees vandaag blijft beweren dat hij een Arabier is, dan moet hij dringend een andere woonplaats zoeken.’

De Soedanezen die zichzelf Arabisch voelen, worden in de rest van de Arabische wereld ook niet als volwaardig beschouwt.   

Mudawi: ‘Inderdaad, want zij komen uit Soedan, het land van de zwarten. We moeten een Soedanese identiteit opbouwen.’

Waarom bent u zo’n groot voorstander van het behouden van het huidige Soedan? Ook al is er nu amper sprake van een land?

Mudawi: ‘Ja, dat is heel belangrijk. Er zijn misleidende veronderstellingen zoals ingebouwd in het vredesakkoord (CPA) tussen Noord en Zuid van januari 2005. Daarin staat eigenlijk dat er twee mogelijke identiteiten zijn: ‘noordelijke Soedanesen, Arabisch georiënteerd, die volgens de sharia geregeerd willen worden en zuidelijke, Afrikaanse christelijk-animistische mensen die geen sharia willen. Maar deze aanname is volstrekt onjuist. Want er bestaat helemaal geen noordelijke identiteit in Noord-Soedan! Je zult niemand vinden die zegt “ik ben een Noord-Soedanees”. Net als je niemand vindt die zegt “ik ben Zuid-Soedanees”, wel mensen die zeggen “ik ben Nuer, Dinka, Fur” enzovoorts. Maar intellectuelen, vooral uit het Zuiden verzonnen deze identiteit, omdat ze steun zochten in het westen. De Sudanese Peoples Liberation Movement (SPLM) heeft de propaganda de wereld in geholpen dat er een strijd gaande was tussen Afrikaanse christenen in het zuiden en Arabische moslims in het noorden. In plaats van gewoon te erkennen dat dit land bestaat uit verschillende tribale groepen, waarvan er geen één de meerderheid uitmaakt. Geen enkele stam vertegenwoordigt meer dan tien procent van de totale bevolking. Zelfs niet de Fur in Darfur.’

De SPLM wist dus dat dit fictieve onderscheid sympathie zou losweken van westerse donoren en overheden?

Mudawi: ‘Ja en dat is het dilemma. Want als je kijkt naar de huidige SPLM-agenda en de slogans over het nieuwe Soedan, waar iedereen gelijke rechten heeft, dan spoort dat niet met de realiteit binnen de SPLM. De mensen uit de Nuba Mountains en uit de regio van de Blauwe Nijl die tot de SPLM zijn toegetreden, die hebben geen enkele status of macht! Dat betekent dat de SPLM de mooie slogans gebruikt uit opportunisme. Het is zelfs de vraag of ook wijlen John Garang zijn ideeën lanceerde uit overtuiging of opportunisme. Als je kijkt naar het in 2002 afgesloten Machakos Protocol, dat diende als basis voor het latere CPA-vredesakkoord, daarin wordt met geen woord gerept over andere regio’s in Soedan. Men spreekt alleen over Noord en Zuid en daarmee creëerde de SPLM zelf de problemen. Het was hier niet alleen een kwestie van de centrale overheid die de andere regio’s marginaliseerde. Zo simpel is het niet.’

Wat is uw advies voor de internationale gemeenschap? Welke aanpak zou het beste zijn?

Mudawi: ‘Een holistische aanpak! Niet Zuid-Soedan apart en Darfur apart. Het is één groot probleem dat draait rond het delen van macht en inkomsten. Want los je de problemen in één regio op, dan pakken ze morgen in een andere regio de wapens op. In feite moedigde Khartoum tot nu toe gewapende opstanden in Darfur aan, hetgeen een zeer kostbare aanpak is. Zowel economisch als wat betreft mensenlevens. Denk eens aan de verliezen van de oorlog in het zuiden: twee miljoen doden, vier miljoen ontheemden, en de enorme schade aan de sociale structuren, enzovoorts.’

Vergeef me de wat cynische vraag, maar in westerse hoofdsteden was men vaak amper op de hoogte van deze verliezen, dus…?

Mudawi: ‘Ja, dat is waar. Want als je kijkt naar de CPA dat met buitenlandse hulp tot stand kwam, daarin staat geen woord over wie verantwoordelijk is voor die twee miljoen doden. Tot op vandaag zegt niemand ook maar iets over enige verantwoordelijkheid! Terwijl zowel de SPLA (leger van de SPLM) als de overheid betrokken was bij gruweldaden op grote schaal tegen ongewapende burgers. Maar nogmaals, niemand wil daar verantwoording over afleggen.’

Moet het westen daar een rol spelen? Er is nu al veel discussie over de vraag of het wel zo verstandig is om oorlogstribunalen op te richten na het beëindigen van burgeroorlogen. Omdat dit, zoals in Uganda, soms zelfs het bestendigen van de vrede in gevaar brengt. Sommige Afrikanen zeggen dat hun eigen Afrikaanse verzoeningsmethoden beter geschikt zijn om met zichzelf in het reine te komen na oorlog. Zou het dus wijs zijn als het westen zich met dit loodzware Soedanese verleden ging bemoeien?

Mudawi: ‘Om meteen ook terug te komen op uw vorige vraag over de rol van de internationale gemeenschap: in Soedan draait het altijd om vanuit het Westen aangedragen oplossingen, nooit over nationale oplossingen vanuit Soedan zélf. Dat is een dilemma. Want de oplossingen moeten vanuit Soedan zelf komen en de internationale gemeenschap kan hierbij assisteren. Het CPA bijvoorbeeld is een plan bedacht en gestuurd vanuit een strategische denktank in de VS, mede met hulp van enkele Soedanese intellectuelen. Hetzelfde geldt voor het Darfur Peace Agreement (DPA), dat was een voorstel van de internationale gemeenschap - met hoofdrolspelers als Jan Pronk en Robert Zoellick - waarbij de Soedanese onderhandelaars amper een rol speelden. En echt, deze aanpak help niet, dat zie je toch in Darfur?! De DPA heeft geen stand gehouden omdat er geen rechtstreekse betrokkenheid van de Soedanese bevolking is geweest, en dus geen ownership over de uitkomst van de vredesonderhandelingen. Dit is echt een probleem. We moeten in de toekomst Soedanezen samenbrengen en hen daarbij assisteren en aanmoedigen. En degenen die niet willen onderhandelen onder druk zetten.’

‘Als de internationale gemeenschap weet welke rol zij moet spelen, namelijk het op gang helpen komen van een interne Soedanese dialoog en het uitoefenen van druk op Khartoum om de onderdrukkende veiligheidswetten op te schorten; de Soedanese overheid ervan overtuigen dat ze openheid moet nastreven en ngo’s de ruimte moet geven hun werk te doen. Dán creëer je de juiste atmosfeer voor oppositiepartijen en civil society om algemeen aanvaarde voorstellen te formuleren voor een aanpak van de problemen. En om dus met onze eigen oplossingen te komen, in plaats van strijdende partijen een document onder de neus te duwen en te zeggen “hier tekenen!”. Dat is echt kortzichtig.’

‘Men heeft in de CPA een overgangsperiode van zes jaar voorzien, en dat is gezien de decennialange oorlog echt niet veel. We zijn al half weg. En wat zal er gebeuren? Zelfs als de Zuid-Soedanezen via het referendum besluiten dat ze onafhankelijk willen worden, dan zullen we toch goede buren moeten kunnen zijn, toch? We hebben dus een goede verstandhouding nodig. En trouwens ik geloof niet in het scenario van scheiding. Kijk naar de scheiding tussen Ethiopië en Eritrea en de puinhoop die dat opleverde: men vecht nog steeds over een klein stukje land. En daar heb je nog niet eens veel grondstoffen. De grens tussen Noord- en Zuid-Soedan bevat veel natuurlijk grondstoffen, waaronder olie. Men zal echt over honderden meters twisten om nog nét die ene oliebron in hun gebied te krijgen enzovoort…Het zou dus wijs zijn als de internationale gemeenschap vooral druk zou uitoefenen op de overheid in Khartoum, om meer intern debat over de toekomst van dit land mogelijk te maken.’

Denkt u dat ‘de internationale gemeenschap’ iets van uw visie oppikt?

Mudawi: ‘Helaas niet. Maar sommigen realiseren zich wel dat het een fout was om de CPA en andere overeenkomsten te vast te leggen zonder inspraak van de maatschappelijke organisaties. Al die akkoorden zijn nu fragiel en instabiel en zullen mogelijk zelfs ontsporen. Dus hier en daar begint men wel in te zien dat deze gang van zaken onacceptabel is voor de toekomst.’

Het imago van Soedan als een totale dictatuur, met wrede fanatieke leiders, klopt dat beeld wel?

Mudawi: ‘Er is een verschil tussen de eerste tien jaar van het regime Bashir en wat er nu gebeurt. De eerste periode was het totale repressie, compleet met sinistere, geheime gevangenissen waar mensen verdwenen en gemarteld werden. En mensen werden massaal ontslagen. Nu praat men wel over democratisering, is er enige ruimte voor oppositie en ngo’s. Maar er is nog een lange weg te gaan. De onderdrukkende veiligheidswetten zijn nog van kracht. Mensen kunnen nog steeds voor onbepaalde tijd opgesloten worden, zonder toegang tot advocaten of hun familie. De situatie is dus verbeterd, maar het blijft moeilijk.’

U bent zelf gearresteerd, nooit gedacht om te vluchten?

‘Dit is ons land, we hebben onze families hier, niet alleen directe familie, maar ook de ruimere kring. Zomaar in diaspora haan leven is niet vanzelfsprekend. Vertrekken is geen wijze keuze. In diaspora leven is ook geen garantie op een beter leven. Als we verandering willen, een beter leven voor onze kinderen, dan moet je bereid zijn offers te geven Laat ons dus in Soedan zelf vechten voor een betere situatie..’

Een Nederlandse collega publiceert in september een boek over Soedan en één zin op de cover is opvallend: Zo wreed als het imago van het land, zo vriendelijk zijn de Soedanezen.  

Mudawi: ‘Ja dat is waar. Het antwoord op deze paradox is heel simpel: de problemen in het land komen niet van gewone mensen maar van politici. Gewone Soedanesen zijn echt vriendelijke en gastvrije mensen. Er bestaan ook amper sentimenten tegen buitenlanders: er wonen vier miljoen Nigerianen in Soedan en niemand zegt daar iets slechts over. Politici gebruiken helaas op opportunistische wijze de bestaande, kleine conflicten. Steeds meer stammen in bijvoorbeeld in Darfur beginnen nu te beseffen dat ze misbruikt zijn door de overheid. Dat ze al de goede relaties die ze hadden met andere stammen vernietigd hebben. Mensen vragen zich af waarom ze dat geweld gebruiken, voor wiens belang? Daarom geloven wij als Suda in de mogelijkheden van verzoening. We willen dit momentum constructief gebruiken.’

Als het grote probleem ‘goed leiderschap’ is , is het dan niet ironisch dat uitgerekend een landgenoot van u Mo Ibrahim dit jaar de Afrikaanse Nobelprijs voor goed leiderschap lanceerde?

Mudawi: ‘Hij probeert Afrikaanse leiders aan te moedigen om zich niet aan de macht vast te klampen. En dat is een goede zaak. Ze moeten leren inzien dat decennialang aan de macht blijven niets dan miserie oplevert en nieuwe generaties berooft van kansen. Maar ik vrees dat het idee van Mo Ibrahim niet echt gehoord wordt in Khartoum. Want het gaat hen niet alleen  om geld, maar vooral om de naakte macht. Zonder macht geen geld. Maar zelfs al zouden zij van Ibrahim geld krijgen, de macht en het prestige smaken altijd nog zoeter.’

Soedan is een labyrint

July 9th, 2007

Kapotgeschoten, verbrand en verkracht. De horror in Darfur. Moordlustige islamitische, Arabische milities versus arme christelijke Afrikanen. Soedan geldt in de internationale opinie vandaag als de moordkuil van Afrika, maar zoals steeds is ook hier de realiteit een stuk veelzijdiger dan het cliché dat als kleingeld rondgaat. Hans van Scharen reisde door de wirwar van tegenstellingen in het land.

Gepubliceerd in MO, juli 2007

Khartoum - Als waren ze lichtbakens in een donkere woestijn; Op de binnenplaats voor een monumentaal pand in de Soedanese hoofdstad Khartoum zitten honderden mannen in witte djelabah en tulband. Ze worden beschenen door de volle maan, het is tien uur ’s avonds en nog steeds veertig graden Celsius. Alleen het onderwerp van deze avond is niet zo zwoel: Darfur. De westelijke provincie waar volgens het Witte Huis een genocide aan de gang is. Zeker is dat er bij het gewapende conflict – begonnen nadat Fur-rebellen in februari 2003 de wapens opnamen uit protest tegen de decennialange verwaarlozing en arabisering van Darfur - al ongeveer 200.000 burgers omkwamen en zeker de helft van alle inwoners van Darfur (6 miljoen) op de vlucht zijn en in opvangkampen leven.

Pats! Plots floept het licht uit. In no time branden er kaarsen en beschijnen de koplampen van een auto het podium. Ook de microfoon op het podium werkt niet meer, een megafoon biedt uitkomst. ‘Typisch,’ zucht een eveneens in het wit geklede, en op leeftijd zijnde Sadiq Bado Minmir. Hij is bestuurslid van de religieuze Umma-partij, die deze avond organiseerde. ‘Dat juist nu de electriciteit uitvalt is geen toeval. Het gebeurt namelijk elke keer als wij iets organiseren,’ zegt Minmir.

Zowel vanuit de internationale gemeenschap als van binnenuit is er druk op het militaire regime van president Omar el Bashir. Zijn voormalige religieuze steunpilaar van de met de Moslim Broederschap vergelijkbare islamistische National Islamic Front, geleid door de sluwe vos Hassan el-Turabi, spant samen met de Umma-partij. Tegelijkertijd spelen zowel internationaal als intern ook altijd dubbele agenda’s, hetgeen van Soedan een wreed politiek-economisch labyrinth maakt.

‘Vorig jaar werden we bij een demonstratie omsingeld door de veiligheidstroepen en vielen er doden.’ Minmir, als ingenieur opgeleid in Oxford, relativeert de ruimte die de oppositie krijgt: ‘Het is vooral bedoeld als façade voor de internationale gemeenschap. In zekere zin heeft de druk dus ook wel een effect. Maar in realiteit wordt het werken ons moeilijk gemaakt en zijn al onze bezittingen in beslag genomen. Democratie in Soedan is een wel héél mager beestje.’

De ‘witte mannen’ op de binnenplaats zijn leden of sympathisanten van allerlei politieke oppositiepartijen en maatschappelijke organisaties. Sprekers roepen gepassioneerd dat het moorden in Darfur moet stoppen. Ze ondertekenen een overeenkomst waarin ze de overheid in Khartoum oproepen om snel een einde aan de oorlog te maken. Minmir: ‘Er moet een dialoog binnen Soedan op gang komen. Daarom is deze politieke eensgezindheid van belang. We willen een conferentie in Darfur zelf, om te komen tot een vreedzame oplossing, een eind aan de genocide en schendingen van mensenrechten, terugkeer van vluchtelingen, compensatie voor de slachtoffers en de schuldigen berechten.’

Er was sinds 2005 ook een vredesakkoord tussen de Sudanese Liberation Movement (SLM) en Khartoum. Maar de vrede duurde net zo kort als het regenseizoen in de Sahel. Allerlei rebellengroepen splitsten zich af van de SLM, de door Khartoum bewapende Janjaweed-milities plunderden en verkrachten weer en al snel bombardeerde ook de overheid opnieuw weerloze dorpen tot zwarte cirkels in de woestijn.

Op de binnenplaats houdt de ene na de andere spreker een betoog tegen de wreedheden in Darfur. Alles goed en wel. Maar is het niet dezelfde Umma-partij die al sinds de onafhankeljikheid van land in 1956 vaak regeerde? En is het niet de Umma onder leiding van Sadiq el-Mahdi die midden jaren tachtig een Militaire Overgangsraad vormde en begon met het bewapenen van de Baggara (Arabieren) in Zuid-Soedan en andere etnische groepen, en die een vrijgeleide kregen om de Nuba en andere (opstandige) volken in het zuiden te terroriseren? En ook toen al waren het politici en militaire leiders uit het noorden die commerciële belangen hadden bij het voortduren van de oorlog. Een politiek die later herhaald is in Darfur door het regime van Bashir. Minmir reageert verontwaardigd op de vraag: ‘Wat een bedrieglijke onzin! Midden jaren tachtig was de bewapening van de People’s Defence Forces in Zuid-Soedan nodig omdat het Soedanese leger in een slechte staat verkeerde en burgers zich moesten kunnen verdedigen tegen de rebellen (lees SPLA).’

Het zijn de People’s Defence Forces die qua wreedheid de voorlopers van de beruchte Janjaweed waren. Het was ook de Umma, die samen met NIF en anderen manu militair streed voor een volledige islamisering van heel Soedan. Maar volgens Minmir zijn ze van gedacht veranderd: ‘Wij geloven in burgerschap, dat niet is gebaseerd op één staatsreligie, etniciteit of cultuur. Eén van de grootste misdaden van dit regime is juist dat ze de islam misbruikt voor haar oorlogen. De gewone mensen zijn die verschrikkelijk kostbare oorlogen beu. Maar de Darfur-crisis breidt zich nu al uit naar Oost-Kordofan.’ ‘Ach, Mahdi is een intelligente, gladde aal, die nu tolerantie en transparantie preekt, maar die wel het lont in het kruitvat Darfur heeft gestoken,’ zegt een VN-medewerker.

Iets waar het regime van Bashir dan weer niets aan kan doen is klimaatverandering. Het conflict in Darfur wordt ook wel ‘de eerste klimaatoorlog’ genoemd. Door toenemende droogte raakt het delicate evenwicht tussen landbouwers en veetelers verstoord. Minmir: ‘In de driehoek Soedan, Tsjaad en Libië is er een strijd gaande om land, water, grondstoffen en macht. Dat brengt het voortbestaan van Soedan in gevaar. Het is van belang dat Soedan één land blijft. Kijk naar mij: ik heb een Afrikaanse huid en een Arabische cultuur. Duizenden jaren hebben veehouders en boeren, verschillende volken vreedzaam samengeleefd. Maar door het met geweld tegen elkaar opzetten van stammen wil de huidige regering macht en controle over de grondstoffen behouden. De conflicten gaan over macht en grondstoffen en zeker niet alleen olie.’

Wat dat betreft is Minmir niet erg hoopvol: ‘Er zijn sterke geruchten dat Fransen en Duitsers uranium willen exploiteren in Zuid-Darfur.’ Het zijn meer dan geruchten: de bodem in Darfur verbergt effectief forse onontgonnen voorraden olie, goud, koper en uranium. Vele landen, ook westerse spelen achter de schermen een strategisch spel om de consessies. Gewone logica telt hier niet. Soedan is zo groot als West-Europa, heeft absurde grenzen die Europa in 1885 vastlegde, is centraal, strategisch gelegen tussen Centraal-Afrika en de Arabische invloedsfeer in. In de jaren negentig bereidde Osama bin Laden er rustig zijn al Qaeda plannen voor en verzamelde hij een fortuin via zijn investeringen in de gomproductie. En tegelijk werkt de Amerikaanse inlichtingendienst CIA al jaren goed samen met de Soedanese inlichtingendienst Mukhabarat.

‘Khartoum is booming, while Darfur is burning’ vertelt een Belgische zakenman. Soedan heeft een waterhoofd. Decennialang investeerden de machthebbers alleen in groot-Khartoum, terwijl in de rest van het land bijna niets gebeurde. Ook dat wanbeleid voedde de gewapende opstanden in West-, Zuid-, en Oost-Soedan.

Tijdens ons verblijf in Khartoum opent president el Bashir er met veel luister een van de modernste ziekenhuizen van Afrika. In vergelijking met de medische zorgen in Darfur of Zuid-Soedan staat dit ziekenhuis als het Hilton-hotel tot een golfplaten hut.

Alsof er geen oorlog woedt, wordt er wel enorm veel geïnvesteerd, niet in het minst door de Chinezen. De zakenman: ‘De Europese zakenlui verwelkomen de Chinese investeringen, er is een duidelijke economische groei.’ Aan de receptie van het Hilton begroet een Soedanees op vriendschappelijke wijze de persoon aan de andere kant van de balie. In zijn hand een lijst met veertig Chinese namen. Volgens onderzoeker Cleophas Lado van de universiteit West Cape zijn de Chinese investeringen enorm: ‘China heeft zwaar geïnvesteerd in Soedan. China heeft voor een waarde van 20 miljard dollar aan ontwikkelingsprojecten en infrastructurele werken opgestart, waaronder waterdammen, waterkrachtcentrales, textielfabrieken en landbouwprojecten. China beloofde 750 miljoen dollar bij te dragen aan de bouw van een nieuwe internationale luchthaven in Khartoum.’ Volgens Lado is China al sinds begin jaren negentig één van Soedan’s belangrijkste wapenleveranciers: ‘In 1990 ondertekende de overheid van soedan een deal ter waarde van 400 miljoen dollar, waarbij China wapens levert aan Soedan in ruil voor katoen.’ Het grote voordeel van Chinese wapens: ze zijn goedkoop en er worden geen vragen gesteld.

Maar volgens diplomaten begint China in te zien dat hun investeringen in landen als Soedan ook internationale verantwoordelijkheid met zich meebrengt. ‘Darfur hangt als donkere wolk boven de Olympische Spelen. Door Amerikaanse publieke druk dreigt Spielberg die een film over de Spelen gaat maken, de Leni Riefenstahl van China te worden. Het feit dat het regime van Bashir nu toch een samenwerking tussen de vredesmacht van de Afrikaanse Unie en VN zouden accepteren, is vooral te danken aan Chinese druk,’ aldus een westers diplomaat.

Minmir hecht weinig geloof aan de bereidheid van Bashir : ‘Het Soedanese regime is een kampioen in het zichzelf tegenspreken en koopt steeds weer tijd. Terwijl de mensen in en uit Darfur lijden, schendt de overheid de vredesakkoorden die ze zelf in 2005 ondertekende. Intussen hebben landen als Iretrea, Tsjaad en Libië hun eigen agenda, net als de internationale gemeenschap.’ Sommige bedrijven uit landen als China en Maleisië profiteren volgens hem van de zwakke positie van de Soedanese overheid: ‘Er loopt al een tijdje het sterke gerucht dat de overheid tegen een tekort van 2 miljard dollar aankijkt en daarom een lening probeert los te krijgen van die landen. De internationale gemeenschap moet druk blijven uitoefenen. En via het hier ondertekende charter doen wij hetzelfde.’

Ook aanwezig op de binnenplaats in Khartoum is Elshafi Khidir, leider van de communistische partij, en ook hij vindt het charter belangrijk: ‘Voor het eerst verenigen politici en organisaties uit Darfur zich over partijgrenzen heen en worden er praktische zaken geëist, zoals onderhandelingen in Darfur zelf, mét iedereen, inclusief de leiders van de Janjaweed. De crisis wordt steeds erger en is out of control.’ Maar Khidir is ook realistisch met zijn verwachtingen: ‘De democratische oppositiekrachten zijn niet sterk genoeg om de overheid te verpletteren. En omgekeerd. We hebben dus geen andere keuze dan praten. Als we dit niet binnen afzienbare tijd oplossen zal de hoofdstad van Darfur, el Fasher imploderen.’

El Fasher - Al bij de eerste stappen op de landingsbaan van El Fasher, de centraal gelegen hoofdstad van Darfur, is duidelijk dat dit een oorlogsgebied is. Veel soldaten en veiligheidsmensen. Op de tarmac staat een Russische MI-24 gevechtshelikopter. Wie hier foto’s wil maken krijgt snel overheidsmensen op zijn dak. Officieel ontkent de overheid dat die toestellen door Rusland zijn geleverd. ‘En daags voor onze komst is er door rebellen niet ver van El Fasher een MI-24 met een mortiergranaat neergehaald’, zegt een westerse waarnemer. Fotograaf Jimmy Kets slaagt er in een wit Antonov-vrachtvliegtuig te fotograferen. Dat levert bewijsmateriaal op voor de stelling van mensenrechtenorganisaties als Amnesty International dat de overheid bewust toestellen wit verft om ze op VN-vliegtuigen te doen gelijken. De Antonovs dienen niet voor voedselpaketten maar voor wapenleveranties en mogelijk zelfs bombardementen. Volgens AI overtreden Rusland en China het wapenembargo, door Soedan voor tientallen miljoenen dollar aan wapens te leveren.

Tijdens een bijeenkomst met minister Karel De Gught, leest de gouverneur van de provincie el Fasher, Mohamad Youssef Kebir, ridicuul klinkende misdaadstatistieken voor. Zijn centrale boodschap, druk op Soedan zal averechts werken en de situatie is nu toch al onder controle: ‘Er is hier nooit sprake van genocide geweest. We hadden wel wat problemen met moorden, verkrachtingen, diefstallen en kapingen, maar de situatie is veilig en onder controle. De situatie is verergerd door internationale inmenging, werd uitvergroot door de media. En: de humanitaire situatie in de vijf vluchtelingenkampen is goed.’

Hulpverleners en vluchtelingen vertellen een ander verhaal. Een humanitair medewerker: ‘Minder misdaden? Er vált simpelweg minder te plunderen en te moorden omdat grote delen van het platteland in Darfur leeg zijn. Dorpen worden minder vaak platgebrand omdat dit teveel opvalt. In augustus was er nog een offensief: eerst de Antonovs en gevechtshelikopters van de overheid en dan de Janjaweed met een grondoffensief.’

Een vluchtelingenkamp bezoeken vanwege de veiligheidssituatie onmogelijk, vertelt een VN-hulpverlener: ‘Vluchtelingen die in de kampen met journalisten spraken, werden nadien in de cel gegooid. De kampen zelf zitten vol rebellen en wapens. Gezien de humanitaire toestand is de toestand explosief.’ Een Europees politieman die Amis-agenten opleidt: ‘Ik heb al vaak mensen met AK 47’s uit het kamp gezet. Want wapens in combinatie met de frustraties en trauma’s én de zelfgestookte alcohol is een gevaarlijke cocktail. En wij lopen ongewapend rond.’

Buiten de kampen is de situatie al helemaal precair: ‘Ironisch genoeg is de situatie sinds de vredesakkoord tussen Khartoum en de Sudan Liberation Movement, van mei 2006 alleen maar verslechterd. Het geweld is in heel Darfur geëscaleerd. Begin 2006 konden we nog overal humanitaire hulp verlenen. Nu nog maar in 60 procent van de gebieden. Een kwart van de hulpbehoevenden konden we niet bereiken. Amis kon de vluchtelingen nog beschermen, nu niet meer door totale demoralisering én het geweld. Sinds juli 2006 tot maart 2007 werden er 56 humanitaire konvooien aangevallen, werden 12 hulpverleners gedood, meerdere en 40 kampen aangevallen. Er is effectief een patroon van toenemende aanvallen op vredestroepen.’

Zelfs tussen de barakken in het kamp van de Afrikaanse vredesmacht Amis klinken er al niet veel vrolijker geluiden. Een VN-medewerker vertelt: ‘Amis heeft een zwak en algemeen geformuleerd mandaat, en ontbeert goede commandostructuren. Rwandese soldaten nermen geen andere orders aan dan die uit Kigali.’

Maar het ergste is, dat de meeste Amis-soldaten al sinds medio vorig jaar niet betaald worden. Maar de Afrikaanse Unie krijgt hiervoor toch veel geld van de Europese Unie, waar blijft dat geld? ‘Dat zweeft ergens tussen Addis en Khartoum,’ antwoord een VN-mederwerker cynisch. Het heeft weinig zin om internationaal te praten over een uitbreiding van de Amis-vredesmissie in Darfur als de huidige soldaten niet betaald worden, zegt de Ghanese militair Benjamin. ‘als er niet snel een oplossing komt, zal er geen Afrikaanse soldaat meer wíllen komen.’

Enkele jonge Gambiaanse soldaten bij een wachtpost, doen hun beklag: ‘We zijn hier sinds december en hebben nog niet één maand uitbetaald gekregen. Protesteren helpt niet. Bovendien komen we hier om de mensen te beschermen en dan vallen ze ons aan. Twee weken geleden werd hier vlakbij onze compound een Ghanees doodschoten bij een gewapende aanval. We zijn blij dat we eind van de maand naar huis kunnen.’

Mohammed Youssef geeft toe: ‘Hier en daar zijn nog enkele problemen met facties die dreigend gedrag vertonen en auto’s kapen en mensen ontvoeren.’

Een vluchteling uit Jebel Mara, het hart van de Fur-opstand in 2003, leeft nu in één van de kampen in el Fasher: ‘Ik kom uit het dorp Korman. Een eerste keer op 27 februari 2004 en dan op 16 maart 2004. Zelfs de facties die het vredesakkoord ondertekenden vielen ons opnieuw aan in juli 2006. Dat weet ik omdat enkele van mijn dorpsgenoten terug waren gegaan. Een gevaarlijke tocht. De nomadische Janjaweed zijn goed bewapend en nemen ons land in. Niemand durft hen aan te pakken. De overheid kan wel zeggen dat het veilig is, maar wij ervaren dat niet zo.’ En ook in de kampen is de situatie heel moeilijk vertelt een vrouw, die haar man en drie kinderen verloor: ‘We voelen ons als geketende dieren. We kunnen het kamp niet veilig verlaten. We willen bescherming.’

Ook VN-hulpverleners vrezen voor een implosie van El Fasher. De vluchtelingenkampen zitten er nu al overvol. ‘Er zijn nu drie kampen met in totaal 144.000 vluchtelingen, waar we eigenlijk geen mensen meer kunnen toelaten. Een vierde kamp wil de overheid niet openen. De kampen zitten vol met aanhangers van rebellenleider Miniwani. Als hij zich terugtrekt uit de DPA, dan is El Fasher plots omringd door 200.000 aanhangers van de rebellen!’

‘Bovendien als de vredesmacht zoals voorgesteld zal worden uitgebreid tot 20.000 vredessoldaten dan hebben we pas écht een probleem,’ vertelt een VN-man, ‘want nu al daalt het waterpeil héél snel. In het kamp Abushouk met 54.000 vluchtelingen hebben we 33 hand waterpompen, waarvan er al 9 droog zijn gevallen. De watervoorziening wordt een groot probleem. We durven er eigenlijk niet eens aan denken.’

Een ander probleem van de op til zijnde uitbreiding van de Amis-Unmis vredesmacht in Darfur is dat die ten koste zal gaan van beschikbaar materiaal en personeel voor het bewaken van de al even fragiele vrede in Zuid-Soedan. Die vrede (Comprehensive Peace Agreements) werd in januari 2005 getekend tussen de SPLA van John Garang en Khartoum. Sinds 1956 was het constant oorlog in Zuid-Soedan, met een tussenpose tussen 1973 en 1983. Balans: twee miljoen doden. En een getraumatiseerd stuk Soedan dat van nul moet beginnen.

Juba Onze vrede, ons land, onze olie, onze vrijheid,’ staat op een groot bord bij de kleine luchthaven van Juba, de hoofdstad en regeringscentrum van de overheid van Zuid-Soedan. Ook in dit volkomen Afrikaanse deel van Soedan, lijkt alles te draaien om olie. Er is weliswaar een vredesovereenkomst met Khartoum, maar de exacte afbakening van de grens tussen Noord en Zuid-Soedan is nog niet rond. Met name in de olierijke gebieden als Abijei. En het is volgens diplomaten en VN-waarnemers niet toevallig dat in december het zwaarste gewapende conflict plaatsvond in Malakal, één van de olierijke gebieden, waarbij mogelijk honderden mensen omkwamen. Het is de plaats waar het Amerikaanse Chevron eind jaren zeventig olie vond en waar Khartoum lokale milities bewapende om die oliebronnen te bewaken. Het waren die milities die opnieuw ‘botsten’ met de SPLA.

In juli 2007 moet duidelijk worden waar de grenzen liggen, en moet het Soedanse leger overal zijn teruggetrokken. Volgens het VN-commando in Juba is dat in de meeste gebieden volgens afspraak gebeurt, behalve in de paar olierijke ‘grijze’ gebieden.  ‘Waarom zou Khartoum haast maken met het afbakenen van die grens,’ vra